Al wie willen te kaap'ren varen...

Gepubliceerd op 20 februari 2026 om 17:00

Nu ik het jaar ben begonnen met een nautisch thema en ons schip van wal is gestoken, moet er op gezette tijden ook een artikel verschijnen dat raakvlakken heeft met dit onderwerp; al zeg ik het zelf. Combineer dit thema met de regelmatig terugkerende kinderliedjes en we komen uit bij een Hollandse klassieker die vrijwel iedereen kent: ‘Al wie willen te kaap’ren varen’.

 

Van oudsher is dit een zeemanslied. In een land dat groot en rijk is geworden door de zeevaart, klinkt daarin nationale trots door. Of gaat er meer schuil achter de tekst?

 

Al wie willen te kaap’ren varen
moeten mannen met baarden zijn!

Wie zou er niet mee willen, per schip de wijde wereldzee op? Wie kiest er niet voor het ruime sop? Zeker in vorige eeuwen was het voor veel jongens een droom: op naar zee. De vrijheid, het bezoeken van verre oorden, het met de mannen op een schip verkeren.

 

Toch was het niet voor iedereen weggelegd om te kaap’ren te varen, want (zo zegt de tekst) het moeten mannen met baarden zijn. Daarmee wordt een duidelijke grens getrokken: het gaat om volwassen mannen, gehard, niet voor een kleintje vervaard.

 

Maar wat betekent dat eigenlijk: te kaap’ren varen? Niet naar Kaap de Goede Hoop of Kaapverdië, maar kapen: een schip veroveren. Piraten of patriotten? Voor eigen gewin of voor volk en vaderland? In naam van het vaderland kapen kwam geregeld voor. Wie denkt niet aan de verovering van de Zilvervloot door Piet Hein?

 

Het refrein noemt de mannen die tot voorbeeld dienen:

Jan, Pier, Tjoris en Corneel
die hebben baarden, ze varen mee!

Wie? Ik heb altijd geleerd dat het ging om Jan, Piet, Joris en Corneel. Maar blijkbaar zijn het Pier en Tjoris; namen die veel voorkomen in Friesland. Mannen die opgroeiden met het water om de hoek, vertrouwd met sloten, meren en zeeën: de Waddenzee, de Noordzee, de Zuiderzee.

 

In de daaropvolgende coupletten worden verschillende elementen van het ruige zeeleven bezongen. Omdat telkens alleen de eerste regel verschilt, beperk ik mij daartoe.

 

Al die ranzige tweebak lusten,
't moeten mannen met baarden zijn.

Verwonderd zit ik naar de tekst van het couplet te kijken. Kijk, ik besef dat het eten aan boord van de houten schepen niet altijd smakelijk was. Aan boord was geen keuken. Men at voedsel dat voor lange tijd geconserveerd moest worden. En nee, geen fruit uit blik of bonen in tomatensaus… dat was een onbestaande luxe. Dus wat at je dan aan boord?

 

Men at gepekeld vlees en stokvis. Gedroogd en gezouten bleef het voedsel eetbaar, al was het maar ternauwernood. En tweebak? De naam zegt het al: tweemaal gebakken brood: scheepsbeschuit. Gortdroog, keihard, tandenbrekend. Ranzig, zegt de tekst. Vies dus. Maar wat moet je, midden op zee, zonder alternatief? Dan eet je wat er is.

 

Al die deftige pijpkes roken,
't moeten mannen met baarden zijn.

Roken op een houten schip, is dat nu echt verstandig? Ik vraag het mij af. Nee, ik moet eerlijk zijn; roken is te allen tijde onverstandig! Maar roken hoorde bij het mannenleven van toen. Geen sigaretten uit de fabriek, maar een pijp, gevuld met tabak. Een moment van warmte in koude omstandigheden. We kennen de afbeeldingen van grijzende kapiteins, pet scheef op het hoofd, pijp in de hand, rook kringelend omhoog.

 

Al die van stormen en golven houden,
't moeten mannen met baarden zijn.

Tsja… echte mannen (he, heb ik daar niet eerder al eens aan artikel over geschreven?) die in Holland geboren zijn, die zijn gesteld op het water der zee. Het zilte zout waardoor wij gevormd zijn. De zee die onze voorouders verzwolg, de zee die wij indamden en waaruit wij land schiepen. De zee die ons land de rijkdom bracht waardoor wij ook nu nog tot één van de rijkste landen ter wereld gerekend kunnen worden. Wij houden van de zee. Van de golven. Van de wind. Van de geur. Ach… de zee… Stroomt die niet door ons aller bloed?

 

Al die met ons de walrus killen,
't moeten mannen met baarden zijn.

Dit couplet valt op tussen de andere verzen. Waar wij eerder nog te maken hadden met kapers, hebben wij nu ineens te maken met walvisvaarders. Betekent dit dat de mannen een nieuwe hobby hebben, een ‘sidejob’ of zou het maar een uitstapje naar de Noordelijke ijszee betreffen? Een lucratieve bezigheid was het zeker. De grootste zeedieren leverden grondstoffen voor het dagelijks leven.

 

Maar het was een harde wereld. De noordelijke zeeën waren ruw. Zeeziekte lag op de loer. De jacht was langdurig en bloederig. De doodstrijd van het dier kon uren duren. Daarna volgde de penetrante geur van traan en ontbindend weefsel. ‘Een echte mannenbaan’, zo zegt men. Maar hoe mannelijk is het om je daarmee bezig te houden?

 

Al die van bier en brandewijn houden,
't moeten mannen met baarden zijn.

Terug naar de geneugten van het zeeleven. Want na het roken komt ook het andere genotsmiddel langs: alcohol. In gedachten hoor ik de kapers zingen: Yo ho, yo ho and a bottle of rum! Uhm… brandewijn, bedoel ik. Het zijn natuurlijk wel Hollandse kapers!

 

De tekst van dit couplet is overigens gekuist. In andere beschrijvingen van de liedtekst kom ik in plaats van het bier een ander woord tegen; een vulgair woord voor vrouwen. Want de mannen die op de schepen voeren hadden, wanneer zij aanmonsterden, vaak de behoeften die behoren bij het overschot aan testosteron. Niet voor niets bestaat het spreekwoord: “In ieder stadje een ander schatje”. De mannen leefden zich, wanneer zij zich aan wal bevonden, vaak uit in de driften van het lichaam. Dat thuis hun vrouwen en kinderen uitzagen naar hun thuiskomst; dat deerde ze op dat moment niet.

 

Al die de dood en de duivel niet duchten,
't moeten mannen met baarden zijn.

En dan het voorlaatste vers. Met enige twijfel publiceer ik daar hier de tekst van. Want een zekere onverschilligheid, een zekere ruwheid blijkt uit de tekst. Wie niet bang is voor dood of duivel; wie kent dan nog vrees? Ik geef toe; de mannen die naar zee gingen moesten een zekere hardheid kennen, ze moesten stevig in de schoenen staan en het spreekwoordelijke kaas niet van de tweebak laten eten.

 

Toch was het niet ondenkbaar dat zij een zeemansgraf zouden vinden. Velen stierven door ziekte, sloegen overboord of werden door kogels getroffen.

Vele moedige, onverschrokken kapers keerden niet terug. Ook zij droegen een onsterfelijke ziel in zich rond. Zouden zij in plaats van doodsverachting niet ontzag moeten hebben voor de dood en de vorst der duisternis?

 

En wij, wij zingen dit kinderlied met onze kinderen. Leren wij hen ook wat er achter de tekst schuilgaat? Dat het zeemansleven schoonheid kent, maar ook gevaar? En bovenal, leren wij hen dat wij, wanneer wij de haven uitvaren, Hem moeten smeken om een behouden vaart; in leven én sterven?

 

Al wie willen te kaap’ren varen
moeten mannen met baarden zijn!

Hoe het Jan, Pier, Tjoris en Corneel is vergaan? Het zijn fictieve figuren. Zij staan symbool voor allen die ter zee gingen en gaan; mannen, en ook stoere vrouwen.

 

Maar laten wij, wanneer wij hun namen horen, vooral bedenken dat ook wij een behouden vaart nodig hebben, op zee en aan land. En laten wij dát onze kinderen leren, wanneer zij deze chanty aanheffen.

 

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.