Wat was die man geleerd. Hij was onderwezen, zittend aan de voeten van de wijze Gamaliël. Daar ontving Saulus onderwijs in de leer. Daar leerde hij de Schriftwoorden uit het hoofd en hoorde hij over de betekenis van Gods Woord. Daar ijverde Saulus (Hand. 22:3) als geen ander. Hij studeerde, verdiepte zich en maakte zich het Woord eigen. Zo werd Saulus een wijs man op het gebied van de theologie.
Hij genoot achting bij het volk. Hij had behagen in de steniging van Stefanus, die in zijn ogen een ketter was (Handelingen 7). Vervolgens trok hij bloedig rond om hen te verdelgen die zich, naar zijn overtuiging, tegen de wetten van het Sanhedrin richtten (Handelingen 8). Totdat hij werd stilgezet. Een licht uit de hemel bescheen zijn pad op weg naar Damascus. Daar leerde Saulus bidden: “Ik ben dwaas; de HEER weet mijn gedachten, dat zij ijdel Zijn bestuur verachten.” (vrij naar Psalm 94)
Als ik een schoolklas uit het reformatorisch onderwijs zou binnenlopen en zou vragen: “Is Saulus wijs of dwaas?”, dan gingen de vingers omhoog. De één zou zeggen: “Wijs, meester, want Saulus had veel gestudeerd en wist veel van de Bijbel.” Dat antwoord is waar: Saulus was een wijs man.
Maar ik zou ook het andere antwoord horen: “Dwaas, meester, want Saulus dacht wel dat hij slim was, maar hij streed niet voor de Heere. Hij deed het voor eigen aanzien en om het Sanhedrin te dienen, en zij hadden Gods wil niet voor ogen!”
Twee antwoorden op één vraag. Met slechts één letter verschil zou ik andere antwoorden krijgen. Want als ik de naam Saulus verander in Paulus en dezelfde vraag stel; “Is Paulus wijs of dwaas?” dan zou ik waarschijnlijk maar één antwoord horen: “Wijs, meester! Want Paulus heeft veel gestudeerd en hij dient God!” Hoe waar is dat antwoord. Toch… wat als ik die vraag aan Paulus zélf zou stellen? Wat zou zijn antwoord geweest zijn?
Ik blader in mijn Bijbel en lees in de eerste brief aan de gemeente van Korinthe:
“Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze eeuw? Heeft God de wijsheid van deze wereld niet tot dwaasheid gemaakt?”
Met enige voorzichtigheid durf ik te stellen dat Paulus zichzelf niet als een wijs man zag. Hij wist dat in hemzelf geen wijsheid was. Hij wist dat hij zichzelf vóór Gods ingrijpen op de weg als wijs had beschouwd, terwijl hij in werkelijkheid een dwaas was geweest. En nu hij Hem had leren kennen, wist hij dat hij (bij de grote wijsheid van God) nog steeds een dwaas was. Hij kende slechts ten dele, maar beleed dat in Hem alle wijsheid is.
Zou Paulus zichzelf een dwaze wijze hebben genoemd, of een wijze dwaas?
De maatschappij van vandaag is erop gericht het maximale uit de mens te halen. Wij streven naar zo groot mogelijke kennis; kennis is immers macht. Daarnaast moet iedereen worden opgeleid tot doctor, ingenieur of advocaat. Wie die doelen niet haalt, voelt zich al snel dom. Men twijfelt aan het eigen kunnen en beseft: wat er van mij verlangd wordt, kan ik niet waarmaken.
“Ik kan niet goed leren, ik heb maar weinig talenten, ik werk liever met mijn handen. Maar toch… het is niet genoeg. Ik ben een dwaas, vergeleken met kantoormannen, klerken en ministers. Was ik maar slimmer.”
Dwaasheid, natuurlijk. Zo mág een mens niet over zichzelf denken, en ook de naaste heeft daar geen recht toe. Wie minder talenten heeft dan wij, of lager scoort op IQ- of EQ-tests, hoeft daarom nog geen dwaas te zijn.
Zijn wij vergeten dat het spreekwoord luidt: ‘Eenvoud siert de mens’?
Daarbij zijn er kinderen wier geest nog niet ontwikkeld is, mensen met verstandelijke beperkingen, LVB’ers… Zijn zij minder dan wij?
Want als ik één ding van hen geleerd heb, dan is het wel het heldere onderscheid tussen goed en fout. Hun geweten spreekt duidelijk in hun binnenste. Goed is goed voor de Heere; fout zijn zonden en mogen niet gedaan worden. Wat kan het beschamend zijn voor wie verstandelijk ver is ontwikkeld, om door een eenvoudiger mens gewezen te worden: “Wat je doet mag niet van de Heere.” Dan begint het vanbinnen te sputteren. We bedenken redenen, redeneren erop los waarom het toch geoorloofd zou zijn. En toch… diep in het binnenste knaagt ook ons geweten ons aan. Daar weten wij dat de eenvoudige spreker gelijk heeft.
Dan is die ‘dwaas’ soms wijzer dan wij, met al onze diploma’s en certificaten op zak.
De conclusie is helder: wie waarlijk wijs wil worden, moet erkennen en gevoelen dat hij dwaas is. Alleen dan groeit het besef dat wij voortdurend om wijsheid moeten vragen. Toen Saulus zijn dwaasheid inedzag, moesten de schellen van zijn ogen vallen. Toen Salomo begreep dat de wijsheid niet in hemzelf lag, verkoos hij haar boven rijkdom en bezit. De dwaze bouwer zag zijn eigen dwaasheid nietg; had hij die ingezien, dan had hij de muren van zijn reeds gebouwde huis afgebroken en (net als de wijze bouwer) zijn fundament gezocht in vaste grond.
En ik? Wie ben ik, zo aan het einde van deze artikelen?
Kan ik zeggen dat ik een wijze dwaas ben, die heeft geleerd in eenvoud en afhankelijkheid mijn leven in Zijn handen te leggen? Of ben ik nog zo vaak een dwaze wijze, die in al zijn vermeende wijsheid niet begrijpt waarom er in Psalm 116:4 (berijmd, 1773) staat:
D’ eenvoudigen wil God steeds gadeslaan;
’k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.
Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder;
Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties