Een dwaze wijze

Gepubliceerd op 6 februari 2026 om 17:00

Er waren eens twee bouwers… Zo luidden de woorden van de leespreek die vorige week zondag in één van de kerken van het Hollandse vaderland klonken. De geschiedenis van de wijze en de dwaze bouwer werd ontvouwd. De dwaasheid van de ene bouwer, die zijn huis op het zand bouwde, stak scherp af tegen de wijsheid van de ander. Terwijl het huis van de dwaze reeds verrezen was, was de wijze nog altijd aan het graven, op zoek naar vaste grond. En terwijl de dwaas zijn woning betrok, begon de wijze pas met bouwen. Slechts één storm was nodig om het huis van de dwaas weg te vagen, terwijl het huis van de wijze onbeweeglijk bleef staan.

 

De wijze had de vaste grond gevonden en kon de zang aanheffen: “Ik heb de vaste grond gevonden.” Zijn huis was gebouwd op de Steenrots, en hij mocht uitroepen: “Mijn steenrots, burcht en helper is de HEER” (Psalm 18, voorzang). De dwaas daarentegen beklaagde zich en moest belijden: “Ik was een dwaas, mijn hoop is ras vergaan. Mijn huis is vergaan, maar ’s HEEREN troon zal eeuwig staan” (naar Psalm 9:7). Maar voor hem kwam deze belijdenis te laat.

 

Ieder kind dat is opgevoed in de voorzijdeleer die naar de godzaligheid leidt, kent het antwoord op de vraag: “Welke van deze twee bouwers moeten wij zijn?” De vingers gaan omhoog en eensgezind klinkt het antwoord: “De wijze bouwer.” Het enige juiste antwoord.

 

En toch… wat is de mens? Want wie kan van nature een wijze bouwer zijn? Wij kunnen ons scholen in het vak van timmerman en metselaar, wij kunnen alles in het werk stellen om de muren van ons bestaan te funderen, maar wie bouwt uit zichzelf met ware wijsheid aan zijn leven? Hoeveel steunpilaren wij ook in ons huis plaatsen, hoeveel heipalen wij ook de grond in boren, hoe diep wij ook graven; niets baat, tenzij wij geleid worden door de kennis van de Schepper van hemel en aarde.

 

Zijn wij dan van nature geheel dwaze bouwers? Geenszins. Eenieder die kennis draagt van de christelijke leer, weet op welk fundament zij rust. Bovendien bezit ieder mens een ingeschapen Godskennis. Ik heb wel eens horen zeggen: “De atheïst bestaat eigenlijk niet; ieder mens zoekt, door die ingeschapen kennis, naar de grond van zijn bestaan.” Ik neig ertoe dit te onderschrijven. Wie enige kennis der waarheid bezit, weet dat bouwen op zand geen vastheid schenkt. Vroeg of laat zullen de stormen het bestaan, dat op een denkbeeldige vaste grond rust, doen wankelen.

 

De conclusie dringt zich op: de dwaze dwaas en de wijze wijze; hoe vaak horen die woorden bij elkaar. De mens is zelden eenvoudigweg één van beide. Vaker is hij een dwaze wijze of een wijze dwaas. En juist dat laatste vervult mij met vrees.

 

De geschiedenis levert talloze voorbeelden van wijze mannen die tot dwaze daden vervielen. Wie denkt aan de Bijbelse geschiedenis denkt al snel aan de slimste mens die ooit geleefd heeft: Koning Salomo. Begiftigd met een ongeëvenaarde wijsheid wist hij zich dikwijls afhankelijk van Hem die die wijsheid schonk. Maar wie 1 Koningen 11 leest, ziet hoe wijsheid kan verkeren in dwaasheid door de begeerten van het vlees:
“Want het geschiedde in den tijd van Salomo’s ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.”

 

Ook de wereldgeschiedenis kent ontelbare voorbeelden van verstandige mensen die zich geen raad wisten met God en Zijn dienst, en zich daardoor als dwazen gedroegen. Met name in de wetenschap zien wij dit terug. Daar rekent men slechts met wat wetenschappelijk te bewijzen valt; het bovennatuurlijke wordt buitengesloten. Albert Einstein geloofde in een god die zich niet met de mensheid bemoeide. Charles Darwin aanschouwde het dierenrijk en schreef: “Ik kan mezelf er niet van overtuigen dat een weldadige en almachtige God opzettelijk zo heeft ontworpen dat een kat met muizen speelt.” Vanuit dat denken ontwikkelde hij zijn evolutietheorie.

 

Wie de hedendaagse wereldmachten beziet, ziet eveneens de wijzen der aarde: presidenten van grootmachten als Amerika en Rusland, de premier van China, leiders van grote religieuze groeperingen, zoals de paus te Rome. Allen bekleden zij hoge posities en beschikken over de talenten om de functies of ambten waarin zij verkeren te vervullen. Maar wie van hen kan werkelijk wijs genoemd worden? Beslissingen die als “verstandig” worden bestempeld, blijken vaak niet anders dan dwaas te zijn; gericht op zelfverheffing, nationale uitbreiding en het veiligstellen van de eigen schaakstukken op het schaakspel van het wereldtoneel.

 

Wat een dwaze wijzen. Wij spreken er schande van, vaak zonder het te beseffen. Maar… ikzelf? Ben ik niet evenzeer een dwaze wijze?

 

Hoe vaak meen ik niet dat ik in eigen kracht iets kan volbrengen? Hoe vaak acht ik mijzelf niet wijzer dan een ander? Hoe vaak steun ik op mijn eigen inzicht, zonder werkelijk naar een ander te luisteren?  Hoe menigmaal weet ik niet zeker dat ik de wijsheid in pacht heb?

 

Als ik op bovenstaande bevestigend moet antwoorden, ben ik dan niet een dwaas gelijk?

Moet ik dan niet gedurig naar ware wijsheid zoeken?

 

“Geef dat Uw Geest mij ware wijsheid leer',
Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren;”

 

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.