Toen ik vorige week het inleidende artikel schreef, vroeg ik mij af: vanaf wanneer bestaat de geur? Een lastige vraag, die wellicht niet eenvoudig te beantwoorden is. Het lijkt zelfs onbekend. Geur is iets wat wij waarnemen met onze zintuigen; onze neus speelt daarin een cruciale rol. In dat opzicht zou men kunnen zeggen: toen God op de zesde dag de mens schiep, toen is de geur ontstaan. Adam, de eerste mens, nam als eerste de geuren waar.
De elementen waaruit geuren voortkomen, waren er echter al eerder. Toen God hemel, zee en aarde schiep, ontstonden ook de geuren zoals wij die kennen. Toch neig ik ernaar te geloven dat geur van alle tijden is. De geur is van de Schepper, en Hij is van alle tijden. Zou dan ook de geur niet van alle tijden zijn?
Adam en Eva mochten wonen in het paradijs: een lusthof, door God Zelf geschapen. Hebt u er wel eens over nagedacht hoe het daar moet hebben geroken? Want in het paradijs was er nog geen zonde. Geen plant stierf af. Geen boom liet zijn bladeren vallen. Zouden de bloemen in het paradijs niet hun zoete parfums overvloedig hebben verspreid? Zou het fruit aan de bomen niet zoeter geroken hebben, dan welk fruit wij ook kennen? Zou de geur van het frisse water niet overal verspreid zijn en rook het gras niet altijd alsof er zojuist een zachte lentebui was gevallen? Alles was fris, zoet en overvloedig.
Hoe anders werd het na de zondeval. Het overrijpe fruit viel van de bomen en begon te rotten. De bomen lieten hun bladeren vallen, die vergingen door schimmels en bacteriën. Vissen in zeeën en rivieren stierven en verspreidden, samen met gedode dieren in het veld, voor het eerst de geur van de dood. Adam bewerkte het land in het zweet zijns aanschijns. Voor het eerst scheidden zijn zweetklieren de zurige geur van melkzuur af. Ook de weeïge geur van bloed werd geroken toen Kaïn als eerstgeborene ter wereld kwam.
Wat moet het voor Adam en Eva tot verdriet zijn geweest dat de eens zo overvloedige geur was veranderd door de stank van de zonde. Toch hebben zij ook kunnen constateren: God is rechtvaardig in Zijn oordelen, maar ook lankmoedig en genadig. Wanneer de bloemen bloeiden, verspreidden zij nog steeds hun geuren. Wanneer de kruiden geplukt werden, rook men de warme geur die hen omgaf. Wanneer het slachtvee boven het vuur werd gebraden, verspreidde de geur van vers gebakken vlees zich door de omgeving en wekte die de trek. Niet alles was tot stank vergaan.
Hadden Adam en Eva dan geen reden om God te danken? Hadden hun zonen Kaïn en Abel dan niet dezelfde reden? Wanneer Hij gedankt werd, werden de altaren opgebouwd, steen voor steen. Dan stak men het vuur aan en legde men de dieren op het altaar. Dan mochten die offers tot Zijn eer zijn.
Altijd? Nee, helaas. Ook in het offeren van de dieren kon de eigen eer vooropstaan en Gods eer op de tweede plaats komen.
Genesis 4 : 4c en 5a:
“En de HEERE zag Abel en zijn offer aan; maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan.”
Toch heeft God de brandoffers tot een instelling gegeven, ook tijdens de latere eredienst in tabernakel en tempel (Leviticus 1–6). De offers worden omschreven als een lieflijke geur voor God. Hebt u er wel eens bij stilgestaan hoe bijzonder dat eigenlijk is?
Want het brandoffer verspreidde geen geur van gebraden vlees. Het brandoffer verging totaal. Wie voedsel wel eens heeft laten verkolen, weet dat die geur soms dagen in een woning blijft hangen. Een verstikkende, penetrante lucht verspreidt zich. Ook de brandoffers moeten zo hebben geroken. De combinatie van verbrand vlees, bloed en vet was in de omtrek te ruiken.
Juist deze geur wordt in de Schrift een geur genoemd die God behaagt. Hoe kan een geur van de dood Hem behagen, in Wie het leven is?
Wel: al die brandoffers wezen heen naar het komende Lam, naar de lijdende Borg, Die voor de zonden van Zijn volk zou sterven aan het vloekhout van het kruis.
Psalm 20 : 2:
Hij will' uw offerspijz' gedenken:
De hemelvlam verteer',
Wat g' op het brandaltaar zult schenken,
Tot 's Allerhoogsten eer.
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties