Leer mij bidden zo ’t behoort,
leidt mij door Uw Geest en Woord.
’t Zijn twee van die kleine regels
die ik zo vaak gehoord.
’t Zijn twee van die kleine regels
waar ik mij aan heb gestoord.
Waarom kan ik Hem niet bidden
uit mijzelf, met mijn verstand?
Waarom kan ’k niet tot Hem naad’ren,
moet ik vragen om bijstand?
Het is omdat ik moet erkennen
dat in mij gans is geen goed.
Het is omdat ik daag’lijks struikel
in mijn zondige gemoed.
Want als ik mijn ogen sluit,
dansen beelden voor mijn ogen
van het werelds goed en goud:
“Heere, ’k denk niet aan U in den hoge.”
In mijn oren hoor ik woorden
waarin U niet wordt geëerd;
en ik hoor des werelds klanken
waar mijn hart naar heeft begeerd.
In mijn neus geen lieflijk’ reuke
van Uw grote goedheid, Heer’,
maar ik ruik de vieze stanken
van de zondelucht temeer.
Mijn lippen prevelen niet de woorden
van berouw of smart of spijt;
zij vormen in hoogmoed zinnen,
woorden aan mijn ‘ik’ gewijd.
En mijn handen willen zich niet vouwen,
nee, ze grijpen naar het kwaad;
ze bouwen mijn huis niet op ’t vaste,
’t stort in wanneer de wind erover gaat.
Zelfs mijn knieën willen zich niet buigen;
’t is door dwaze hoogmoed, God.
Ik wil mij niet nederbukken
voor Uw woorden en gebod.
Als ik dit al ga beseffen
en begrijp dat ik ’t niet kan,
dan kan ik maar één ding bidden:
“Heere, leert U mij Zelf bidden, dan?
Zet een wacht voor mijne lippen,
behoed de deuren van mijn mond.
Geef mij ’t besef dat ik met U spreek, Heere;
’k smeek ’t U uit ’s harten grond.
Wilt U dit gebed verhoren?
Leidt mij door Uw Geest en Woord,
zodat ik mag gaan gevoelen:
Hij heeft mijn gebed gehoord!”
Reactie plaatsen
Reacties