Ach, arme Bovenkerk (Kampen)

Gepubliceerd op 29 mei 2026 om 17:00

Op een bloedhete lentedag slenter ik voor het eerst van mijn leven door Kampen: de oude Hanzestad aan de IJssel. Mijn verwachtingen zijn hooggespannen. Want Kampen… christelijk Nederland kent de stad vooral van de traditionele mannenzang die de Bovenkerk aldaar op haar grondvesten doet schudden.

De lange winkelstraat ligt voor mij. Wie links en rechts naar de winkels kijkt, zou vermoeden dat het haar van de Kampenaren altijd perfect in model moet zitten. Ontelbaar veel kapperszaken met onuitspreekbare namen trek ik voorbij. “Is dit Kampen?” vraag ik licht ontredderd aan mijn reisgenoot. Mijn beeld van de stad, nog vóór ik haar betrad, was gekleurd door verwachting. Ik verwachtte een overwegend christelijke stad die, geworteld in de kerkhistorie van weleer, moedig weerstand bood aan een ontkerstende samenleving.

Toegegeven: Kampen is nog altijd overwegend christelijk. Herkenbaar zijn de passanten in bedekkende kleding (ondanks de hitte) en de verschillende winkels met reformatorische achtergrond. De jongens met het alom geaccepteerde haar in de scheiding en de meisjes met de (vaak te korte) rokjes. Ja, dit is een christelijke stad, al zijn ook hier de tekenen van multicultureel Nederland zichtbaar.

De straat, met aan weerszijden prachtige huizen uit vervlogen tijden, toen de handel over de IJssel Kampen rijkdom bracht, leidt naar een grote kerk: de alom bekende Bovenkerk, ook wel de Sint-Nicolaaskerk genoemd. Een kerk met een rijke historie, gelegen op korte afstand van de theologische scholen waar generaties predikanten werden opgeleid.

De kerk kent een lange geschiedenis. Ooit gebouwd als romaans gebedshuis, later opgenomen in de parochie van de Rooms-Katholieke Kerk. Nadat de stad in 1572 door de troepen van Willem van Oranje op de Spanjaarden werd veroverd, kwam de kerk in protestantse handen. De roomse invloeden verdwenen en het gebouw werd ingericht voor de protestantse eredienst.

Tegenwoordig vinden er helaas geen wekelijkse erediensten meer plaats. Toch mag de Bovenkerk vijf keer per jaar gebruikt worden door de plaatselijke Gereformeerde Gemeente. In het bijzonder tijdens de dienst op tweede pinksterdag, wanneer de belijdeniscatechisanten op historische grond hun ja-woord geven en zich als belijdende leden bij de gemeente voegen.

De stad zelf ontbeerde voor mij echter charme. Prachtige gebouwen alleen maken nog geen levende stad. Op deze warme lentedag miste Kampen karakter. Daarbij leek vrijwel iedereen verkoeling te zoeken aan het Veluwemeer of elders, waardoor de stad haast uitgestorven was. Voor ons reden genoeg om vroegtijdig ons bezoek af te ronden.

Aan het einde van de winkelstraat stonden wij voor de deuren van de kerk. “Zullen we dan toch maar even naar binnen gaan?” Al snel was de keuze gemaakt.

Zo liepen wij de koele Bovenkerk binnen; een groot contrast met de warme buitenwereld.

Direct bekruipt mij een gevoel van onbehagen. Want… de wereld voelt warm aan. Men kijkt met kille ogen naar de kerk, terwijl de wereld roept: “Kom, vier het feest! Voel je vrij! Wees wie je bent! Hier is alles mogelijk!” Hoe velen zijn mij niet gepasseerd; de kille kerk uit, de warme, feestende wereld tegemoet?

Maar waar ligt de schuld? Ja, zeker, in Genesis 3. Maar ligt de schuld ook niet deels bij de kerk zelf? Want hoe vaak is de kerk werkelijk een warm bad voor haar leden? Natuurlijk, zo behoort het te zijn. Maar de praktijk blijkt vaak anders. Mensen voelen zich vergeten of onbegrepen. Eigen belangen worden boven die van de gemeente gesteld. Conflicten met kerkenraden of gemeenteleden laten diepe sporen na. Men schuwt het niet elkaar in het diepst van de ziel te raken.

Is het dan verwonderlijk dat zovelen de kerk de rug toekeren, naar buiten lopen en niet meer terugkeren?

Eenmaal binnen richt ik mijn ogen omhoog, naar de gewelven. Daar wordt mijn onbehagen bevestigd. Hoge steigers vullen het schip van de kerk. Doeken hangen ter bescherming van de bezoekers. Wie omhoog kijkt, ziet hoe de pleisterlagen loslaten en grote stukken naar beneden zijn gekomen. De eeuwenoude kerk verzakt.

Die loslatende pleister ; staat zij niet symbool voor de dunne laag waarmee de wonden van de kerk worden bedekt?

Want laten wij eerlijk zijn: kerkelijk Nederland verkeert in een zorgelijke toestand. Nieuwe kerkscheuringen dienen zich aan of zijn reeds werkelijkheid geworden. Binnen kerkverbanden groeien gemeenten uit elkaar. Discussies over het aanbod van genade of over het ambt slaan diepe wonden. Wonden die ieder treffen die ermee te maken krijgt.

Wanneer zal Hij Zelf de pleister van die wonden trekken en alles blootleggen?

Want wanneer in de Bovenkerk het pleisterwerk neervalt, dwarrelt het stof op. Dan staan de persmuskieten en opiniemakers klaar. Dan ruikt men het bloed. Dan verschijnen artikelen die bestaande wonden slechts verder openrijten.

Kunnen wij het hun kwalijk nemen? Zijn die wonden niet mede door onszelf veroorzaakt?

Is het dan alleen maar kommer en kwel? Nee.

Zoals ik reeds noemde, wordt de Bovenkerk nog altijd gebruikt voor erediensten. De kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente heeft daarin (naar mijn overtuiging) een goede keuze gemaakt. Zo blijft de kerk een gebouw dat aan Hem gewijd is. Een plaats waar Zijn Woord nog klinkt.

Vele malen per jaar klinkt het Hinsz-orgel en worden de psalmen aangeheven. Dan klinkt het:
“De HEER’ is ons tot hulp en sterkte,
Hij is ons lied, ons psalmgezang!”

De kerk ondergaat momenteel een grootschalige renovatie. Met een budget van vele miljoenen euro’s probeert men het verval te keren en de kerk haar oude glans terug te geven. Eens zullen de steigers verdwijnen, zullen de houten constructies worden afgebroken en zal de Bovenkerk opnieuw in volle glorie te aanschouwen zijn.

De Bovenkerk wordt gered. Het is nog niet te laat. Is dat het wel voor kerkelijk Nederland?

Of zullen wij, ieder naar zijn vermogen, aan de slag gaan om kerkelijk Nederland dezelfde glans terug te geven die de Bovenkerk weer zal krijgen?

Johannes R


Lees ook:

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.