O Nederland! Let op u saeck! (2/3)

Gepubliceerd op 12 juni 2026 om 17:00

Nederland, let op uw zaak! Dat was de oproep tot bezinning die vorige week klonk in het eerste deel van dit drieluik over een vaderlands lied uit Valerius' Nederlandtsche Gedenck-clanck. Maar hoe herkennen wij het gevaar? Waaraan merken wij dat onze vrijheid wordt bedreigd?

Het antwoord vinden wij in het tweede couplet.

Neemt acht op uwer landen staet,
u volck end' steden meest
syn sterck, end' daer is raet en daet
van outs altyt geweest;
u adel is manhaftich, vroom,
men vind niet haers gelijcken;
houd den Spanjaert doch, ik bid u, inden thoom,
dat hy van ons mach wycken.

Overgezet zijnde naar hedendaags Nederlands:

Neemt acht op uwen landenstaat,
uw volk en steden meest;
zij zijn sterk, en daar zijn raad en daad
van ouds altijd geweest.
Uw adel is manhaftig, vroom,
men vindt niet hun gelijken;
houdt den Spanjaard toch, ik bid u, in den toom,
dat hij van ons mag wijken.

Ook dit tweede couplet begint met een oproep: Neemt acht op uw landenstaat!
Maar wie dat doet siddert. Want zo goed staat Nederland er niet voor. Het recht struikelt op de straten. Gods Woord verliest steeds meer gezag. Een samenleving die ooit gebouwd werd op Bijbelse waarden lijkt zich steeds verder van haar oorsprong te verwijderen.
Natuurlijk; ik kan de abortus provocatus en de wet op de euthanasie noemen. Wij kunnen spreken over de verharding van de maatschappij, over de groeiende nadruk op het individu en over een cultuur waarin steeds meer mogelijk lijkt te zijn. Vrijheden die met grote offers werden verworven, worden vaak gebruikt om de verlangens van het menselijk hart onbeperkt ruimte te geven. Kennis en wetenschap worden ingezet om grenzen te verleggen die vroeger onaantastbaar leken. De Nederlander wil beter zijn dan zijn Maker.

 

Nee, dan is het niet moeilijk om somber te worden. Of ben ik te negatief?

Want wanneer wij acht slaan op onze landenstaat, moeten wij eerlijk zijn. Achter een land dat steeds verder seculariseert, staat nog altijd een volk dat iedere zondag samenkomt rondom Gods Woord. Er zijn nog altijd gemeenten waar gebeden wordt voor land en overheid. Nog altijd klinkt het Evangelie vanaf kansels verspreid over ons land.

Hoezeer velen het ook vergeten lijken: Nederland is gebouwd op de grondvesten van gelovige geslachten.

Als wij acht moeten slaan op onze landenstaat dan moeten en mogen wij dat zeker niet vergeten.

 

Soms kun je verlangen naar de tijd waarin geloof en samenleving veel sterker met elkaar verweven waren. Wanneer je door Dordrecht loopt en herinnerd wordt aan de Synode en de Statenvertaling. Wanneer je in Dokkum stilstaat bij Bonifatius. Wanneer je op de Dam in Amsterdam de Nieuwe Kerk ziet staan naast het Koninklijk Paleis en bedenkt hoeveel generaties daar het Woord Gods hebben gehoord. Wanneer je over de Zeeuwse vestingwerken wandelt en je voorstelt hoe de liederen van Valerius door de zeewind werden meegevoerd.

 

Onwillekeurig moet ik denken aan het gedicht wat menig Nederlander kent: ‘Herinnering aan Holland’ van Harry Marsman. Daarvan luidt één der zinnen: …boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een grootsch verband…

Marsman beschreef het Nederland van vóór de Tweede Wereldoorlog. Toch herkennen wij daarin nog steeds iets van het land dat ons heeft gevormd. Een land waarvan de wortels dieper reiken dan economie, politiek of welvaart. Een land dat eeuwenlang werd gestempeld door kerk, geloof en Bijbel.

 

Raad en daad; ze zijn alom aanwezig in het volk en de steden. De dorpsoudsten zijn verdwenen, maar onze (groot)ouders vormen de basis van veel van de huidige kennis. Aangevuld met hen die over onze gesteld zijn en ons laten delen in hun kennis. De kinderjuffrouw op de opvang, de leraar op het middelbaar, de catecheet tijdens de lessen, de predikant vanaf de kansel, de adviescommissie die de regering van raad voorziet, de boeken in de bibliotheek of wikipedia en ChatGPT op onze telefoon. Allen voorzien ons van de kennis die nodig is om ons leven vorm te geven.

 

Het leven, ja, dat wel. Het leven kunnen wij naar onze hand proberen te zetten. Maar is dat voldoende? De belangrijkste kennis is daarmee nog niet vanzelfsprekend aanwezig.

Het is de kennis waarnaar verwezen wordt door alle predikanten die ons land rijk is en rijk was. Wie zijn voeten zet over de dorpel van de Godshuizen kan, wanneer Zijn genade ons deel is, Hem leren kennen. De kennis die vanaf Nederlandse kansels heeft geklonken, in de huizen van Gods kinderen werd besproken, op de gezelschappen werd overdacht en in tijden van oorlog en nood tot troost mocht zijn.

Het is de kennis die soldaten met elkaar deelden op de vestingwallen. De kennis die werd uitgesproken in schuilkelders tijdens bombardementen. De kennis die werd bezongen toen het water tijdens de Watersnoodramp de Zeeuwse huizen binnendrong.

Die kennis heeft Nederland mede gevormd.

 

De geschriften van de oudvaders staan nog altijd in menige boekenkast binnen de christelijke gezindte. Wie pakt de boeken nog onder het stof vandaan om de goede kennis in te drinken? Wordt er nog gezocht naar die wijsheid die meer waard is dan goud?

 

Ook de adel waarover Valerius schrijft, kende die geestelijke erfenis. Wanneer wij denken aan de strijd tegen Spanje, komt al snel Willem van Oranje in gedachten. Maar hij stond niet alleen. Generaties bestuurders en vorsten voelden zich nauw verbonden met de gereformeerde belijdenis. In het bijzonder denk ik aan koningin Wilhelmina; haar memoires zijn getiteld ‘Eenzaam maar niet alleen.’ Diep ontroerend zijn de slotwoorden waarmee de vorstin zelf afsluit: “Thans beschouw ik mijn opdracht vervuld, namelijk U een beeld te geven hoe alles in mijn leven geleid is en betekenis heeft gehad in Christus’ hoge plan. Niet dat daarmede het eindpunt bereikt zou zijn van de Leiding die mijn leven bestiert; Die gaat ononderbroken voor, evenals mijn taak. Deze laatste gaat, als Christus mij tot Zich roept, mee in het nieuwe leven dat mij wacht.
Ik bid, dat Christus’ blijdschap over Zijn hele mensheid kome en haar blijdschap in Hem vervuld worde.
Hij staat aan de deur van haar hart en klopt. Indien zij Zijn stem hoort en de deur opendoet, zal Hij tot haar ingaan. (April 1955)”
Een trouwe vorstin. Kunnen wij eenzelfde geestelijke bewogenheid nog aanwijzen binnen het huidige vorstenhuis?

 

En dan sluit het couplet af met een aandringende oproep om de vijand in de toom te houden. Toen waren het de Spanjaarden die ons land waren binnengevallen. Ten tijde van de tweede wereldoorlog waren het de Duitsers. En nu?

 

Er trekken geen buitenlandse legers door onze straten. Toch betekent dat niet dat er geen gevaar bestaat. De vijand zit immers in onszelf, in ons hart.

De vorst der duisternis probeert nog altijd Gods Naam uit het openbare leven weg te drukken. Hij probeert gezinnen uiteen te trekken, harten af te keren van Gods Woord en een volk los te maken van zijn geestelijke wortels.

Dan wordt het tijd om het Lutherlied weer aan te heffen ter strijd. "Beef Satan! Hij Die ons bevrijd zal u, o vijand, ook nu in 2026, de vaandels doen strijken!"

 

Volgende week wijst Adriaen Valerius ons nog eenmaal de weg in het slot van O Nederland, let op u saeck.

 

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.