De roep van de zee (8)

Gepubliceerd op 28 augustus 2026 om 17:00

De vakantie is bijna voorbij. Alleen het midden van het land mag nog genieten van een laatste week rust. Ook de warmte die het land de afgelopen weken in haar greep heeft gehouden, is na de onweersbuien van deze nacht weggespoeld. De atmosfeer is verlicht en het land zelf herademt. Het is een klamme, maar frisse ochtend, deze vrijdag.

Zelf zit ik achter mijn laptop om het laatste artikel van deze reeks te schrijven. Terwijl de frisse lucht door de geopende ramen naar binnen stroomt en een zachte stroming voelbaar maakt, is de druk op mijn hoofd verminderd.

Ook ik werd deze week geplaagd door een zware migraine, zoals vele landgenoten met mij. De lange, warme periode kwam hortend en stotend tot een einde, met grote luchtdrukschommelingen tot gevolg.

Maar nu is het vrijdagmorgen. De luchtdruk is stabiel. Nu kan ik het laatste artikel uit deze reeks schrijven. Maar wat zou ik nog schrijven?

Want wat kan ik toevoegen aan alle woorden die de afgelopen weken zijn gepasseerd? De zee riep ons inmiddels zeven weken lang. Bent u ook aan boord gestapt van het schip dat uit de haven wegvoer? Heeft het zware en moeilijke zeeleven u gevormd tot een man of vrouw van staal? Iemand met karakter en doorzettingsvermogen?

Heeft u met anderen op het schip de ogen opgeslagen toen de woorden weerklonken: “Niemand vreest hij dan God!” Is het voor u waarheid?

Of bent u pas op de zee van Tiberias meegevaren met Petrus en de anderen? Heeft u de lessen begrepen die er in de voorvallen op het meer lagen? Bent u gaan inzien dat u zonder Hem niet veilig de zee op kunt, dat u zonder Hem het water niet kunt bedwingen? Want in Zijn hand ligt heel ons lot. Door Hem worden wij gespaard in het leven, ook wanneer wij de woelige baren bevaren.

En ik?

Vorige week donderdag. Het is een stormachtige dag. In Zeeland geldt code geel. Aan de kust zijn waterhozen gesignaleerd. Toch breekt in de middag de zon door de wolken. De krachtige zomerzon zorgt direct voor een aangename temperatuur. Het is tijd voor een strandwandeling op een nagenoeg leeg strand. Enkele vakantiegangers durven de wind te trotseren; velen hebben andere activiteiten gezocht om de vakantie door te brengen.

Wanneer ik op de kop van de duinen sta, zie ik het strand voor mij, maar bovenal hoor ik iets. “Kom tot het water!”

De nu onstuimige zee roept mij. Als Hollander, en als Zeeuw, word ik getrokken tot het water der zee. Het heeft een aangename temperatuur van 21,5 graden Celsius. De schoenen gaan uit. Het water stroomt rond mijn voeten.

Waar het de eerste minuut vrij koud aanvoelt, verandert dit al snel. Terwijl de wind het stuifzand laat aanvoelen als ontelbare speldenprikken die de benen teisteren, is het water verkoelend en verzachtend.

Hoog zijn de golven, wit de schuimkragen erop. Ze rollen steeds krachtiger en verder het land op. Al snel sta ik tot aan mijn knieën in het water. En dan gebeurt het. Voordat ik er erg in heb, zorgt een terugtrekkende golf ervoor dat ik bijna van mijn benen word geslagen en languit in het water beland. Een stevige sprong, een armbeweging, en ik sta nog net overeind.

De zee die mij riep, trok mij nu bijna het water in.

Heel even voelde ik de kracht van het zilte water. Dan begrijp ik waarom zoveel heidenvolken ontzag hadden voor de zee. Waarom boten een ‘behouden vaart’ moet worden gewenst. Waarom Michiel de Ruyter zijn knieën boog voordat hij aan boord stapte. Waarom de discipelen bang waren in het schip.

Ieder die zich bij of op zee bevindt, moet in het hart gevoelen dat hij slechts een speelbal is van het water. Dat er een God is Die de zee schiep. Dat Hij over ons waakt.

Nee, wij komen niet altijd behouden aan land. Een ongeluk, een wenk van Zijn alvermogen, en wij vergaan in de golven. Ook ik heb bekenden aan de zee moeten overgeven. Zouden zij ook het gebed hebben aangeheven dat eens op de Titanic klonk toen het schip verging: “Nader mijn God, bij U, zij steeds mijn beê”?

En wat als mijn schip dreigt te vergaan? Want ook ik vaar op de golven van de levenszee. Ook die zee is ruw en gevaarlijk. In die zee bevindt zich ook een monster, een driekoppige doodsvijand die het schip telkens probeert te verzwelgen. Die zijn tentakels van de dood telkens uitstrekt om mijn schip te breken en mij te laten verdrinken in de golven, zonder hoop, zonder uitzien.

Weet ik dan of mijn schip geborgen is in Zijn hand? Of Hij mijn Redder en Geleider is? Wacht mij een blijder kust?

Want:
“Dan kent mijn ziele rust;
mij van Uw trouw bewust,
wacht ik aan blijder kust
Uw sabbatsrust.”

Twee weken geleden. Het is boven de dertig graden geweest. Het lichaam smeekt om verkoeling. Langzaam loop ik het water van de zee in terwijl de zon ondergaat. Daar kleurt de zee goud. Daar glitteren de golven als een oneindig veld van goudgeel graan om mij heen.

Heel even voel ik de lieflijkheid van het zilte water. Dan begrijp ik waarom velen de zee als voorbeeld zien van de grootsheid van Hem. Waarom Hij Zelf de zee meerdere malen als voorbeeld gebruikte om Zijn discipelen en ons te leren.

Die gouden zee is heel even een levende prediking van de grootsheid van Zijn genade.

Dan moet mijn levensschip varen op deze zee. Een gouden, kalme zee. Een zee die gevormd is uit druppels van Zijn genade.

Zij, die de zee bevaren
met schepen, rijk bevracht,
zien op de grote baren
Gods wijsheid, gunst en macht;
daar leren zij de daân,
des HEEREN klaar bemerken,
en in de diepe paân
Zijn grote wonderwerken.

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.