De discipelen; ze waren alleen achtergebleven. Tenminste, zo voelde het, maar zo was het niet.
Hun Meester was gestorven en begraven. Ze hadden de verhalen van de vrouwen wel gehoord die Hem gezien hadden, maar echt geloven konden ze het niet. Droevig waren ze achtergebleven.
Ook Petrus. Voor hem was het misschien wel de moeilijkste periode. Zijn Meester, Die hij innig liefhad, had hij drie keer verloochend met de woorden: “Ik ken de Mens niet.” Maar Petrus kende Hem wel. Hij was in het hart van Petrus. De pijn die hij voelde toen hij huilend wegging, achtervolgde Petrus nog iedere dag. En nu zitten ze bij elkaar in een huis. Wachtend, maar waarop? Dat wisten ze zelf niet.
De muren van de woning kwamen op Petrus af. Hij kon er niet blijven. In het hart van de visser roept de zee altijd. Petrus geeft gehoor aan de roep van de zee en deelt mee: “Ik ga vissen!”
Johannes 21
De discipelen kijken elkaar eens aan. Waarom zouden ze niet meegaan? Ze hebben toch niets om handen. “Wij gaan ook met u,” klinkt het. En zo gaan ze samen naar de vissersboot, steken af en varen de zee van Tiberias op. Om verwarring te voorkomen: in de vorige artikelen ging het over het meer van Galilea. Dit is hetzelfde water, maar een andere benaming.
Na de gebeurtenissen van de afgelopen dagen is het stil geworden. De discipelen zijn bij elkaar, maar niemand weet goed wat de toekomst brengen zal. Het is dan goed om het hoofd even in de wind te hebben. De wind neemt op zo’n moment de zorgen met zich mee, verlicht het verstand, dat verduisterd is, en zorgt voor relativering.
Verschillende discipelen staan aan de reling, in gedachten verzonken. Ze turen over het water naar een punt in de verte. Beelden van de afgelopen dagen passeren hun geest. Woorden die gesproken zijn, komen terug in hun gedachten.
Anderen staan met elkaar te praten. Nu hun Meester niet meer aan boord kan zijn, is er de leegte. Zullen ze teruggedacht hebben aan al die eerdere momenten waarop ze met elkaar deze zee bevoeren? Aan alle lessen die ze hier hebben gekregen?
Als de nacht valt, begint het werk. De netten worden uitgeworpen. Urenlang vissen de ervaren vissers met hun onervaren broeders. Geen vis wordt gevangen. Wanneer de morgenstond vanuit het oosten inzet, varen ze terug naar de wal. Daar staat een Man op de wal. Een vreemdeling. “Werp het net uit aan de andere zijde,” klinkt het. Ach, waarom ook niet? Baat het niet, dan schaadt het niet. Zo gezegd, zo gedaan; en de vangst was groot.
Wie van hen zou teruggedacht hebben aan de eerdere wonderbare visvangst?
Petrus had daar de opdracht gekregen om zijn netten uit te werpen. Zo had hij gedaan. Toen was er veel gevangen. En nu niet minder.
Maar nee, niet Petrus komt als eerste tot de conclusie: “Het is de Meester.” Het is de rustige Johannes die de tekenen ziet en begrijpt.
Ach, wat zal er niet bij Petrus zijn omgegaan in zijn hart toen hij de woorden van Johannes hoorde? Alle zorgen vallen van hem af. Het is de Meester, Hij leeft! Hij zorgt, ook nu, voor de Zijnen. Petrus ziet het en gelooft het. Al de smart die hij Hem heeft aangedaan; hij voelt dat ze hem vergeven zijn.
Zouden er geen tranen in zijn ogen hebben gebrand toen hij Zijn Meester weerzag? Nu zijn liefde voor Hem overloopt? Petrus trekt zijn bovenkleed aan en springt overboord. Nee, deze keer wandelt hij niet over de golven. Deze keer zwemt hij naar Zijn Meester. Hij kan niet wachten tot de boot aan land is. Hij vergeet de vis en loopt op zijn Meester af!
Naast Zijn Meester brandt een vuur; in het hart van Petrus brandt het vuur van de liefde. Nog diezelfde ochtend zal hij drie keer belijden dat hij Zijn Meester liefheeft.
De zee is door God geschapen en door Gods Zoon bevaren. De zee riep, toen en nu.
Dan is de vraag: hoor ik de roep van de zee? Hoor ik de roep: Komt tot de wateren, allen die vermoeid en belast zijn?
Want dan is die zee een afspiegeling van Zijn grote genade. Heb ik daar behoefte aan, of sla ik de oproep om te komen in de wind?
De vakantie loopt ten einde. Toch… ik moet nog één keer terug naar zee.
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties