De roep van de zee (6)

Gepubliceerd op 14 augustus 2026 om 17:00

Ach, die Petrus. Wat was hij onder de indruk toen op het bevel van Jezus de storm tot bedaren werd gebracht. Wat hield hij innig van zijn Meester! En wat was het stillen van de storm een bevestiging van zijn geloof in Hem, Die hemel, aarde en zeeën geschapen heeft.

Het is een tijd later. Weer op het Meer van Galilea.

Mattheüs 14 : 22–34

Het is een lange dag geweest voor de discipelen. Ze hebben veel meegemaakt. Wij zouden zeggen: de prikkels van de dag moeten worden verwerkt. De grote schare die zich om Hem en hen heen verzamelde en naar hun Heere luisterde. En toen liepen ze daar rond met de manden met brood en de vissen. Ze zijn de rijen doorgegaan en hebben velen te eten gegeven. Ja, heel even groeide in hun hart de hoop dat dit een toekomstbeeld was. Dat zo de schare naar hun Koning zou luisteren. Dat Hij het volk zou gaan regeren.

Maar toen de dag ten einde was, moesten ze in het schip gaan en van de wal afsteken. Het moest. Hij dwong hen. Dat wilden ze misschien liever niet. Misschien wel mopperend en mokkend zijn de touwen losgemaakt en zijn ze vertrokken.

Rustig kabbelen de golven langs het schip. Voor vier van de discipelen is de zee geen onbekend terrein. Net als de predikanten van nu hadden sommige discipelen van toen een beroep voordat zij Hem volgden. In ieder geval Andreas, Petrus, Johannes en Jakobus waren vissers van beroep. Zij hadden jarenlang op het meer gevaren en hun netten uitgeworpen. Voor hen voelde het varen dan ook als thuiskomen. Daar konden zij ontspannen door te luisteren naar het klotsen van de golven, het waaien van de wind, de vochtige geur van het water en de roep van een zeevogel.

Ook de andere discipelen waren inmiddels gewend aan het water. Ze bevoeren regelmatig het Meer van Galilea om reistijd te besparen. Wie van hen zou teruggedacht hebben aan de eerdere storm?

Na een dag vol indrukken moeten die indrukken verwerkt worden. Hoe zou dat gebeurd zijn? De Bijbel vertelt het niet, maar wij kunnen het ons indenken.

Verschillende discipelen staan aan de reling, in gedachten verzonken. Ze turen over het water naar een punt in de verte. Beelden van de afgelopen dag passeren hun geest. Woorden die gesproken zijn, komen terug in hun gedachten.

Anderen staan met elkaar te praten. Nu hun Meester niet aan boord is, voelen zij zich vrij om met elkaar de zaken van het hart te bespreken. Ook de onbegrijpelijke keuze van Hem om niet in het schip te komen, maar alleen achter te blijven.

Tot…

De wind trekt aan. De lucht trekt dicht. De golven worden hoger en beuken tegen het schip. De touwen slaan tegen de mast en veroorzaken een hard, klapperend geluid. De storm steekt op.

Zeker de ervaren schippers weten wat zij moeten doen. Bedrijvig zijn ze in de weer om het schip op koers te houden en voor gevaar te bewaren. Het zeewater doordrenkt hen tijdens het harde werk. Al snel slaat de schrik hun om het hart. Harder waait de wind, ruwer wordt het water.

En Jezus… Hij was er niet.
Of heb ik dat fout? Was Hij in deze storm er wel? Is Hij niet alomtegenwoordig?

Wie van de discipelen zou in de storm de ogen opgeslagen hebben naar boven? Wie van hen zou hebben gebeden om een behouden vaart? Want waarom zou hun graf niet één der zeelieden kunnen zijn? Waarom zouden zij gespaard worden waar anderen, toen en nu, in de golven zijn vergaan?

En dan is daar, te midden van de storm, een spooksel. Een gestalte die over het water komt. Hij Die over de zee loopt, loopt op de boot toe.

En dan is daar Petrus.

Een man met een opvliegend karakter, moedig en gedreven. Hij doet alles vol overgave, maar is vaak net iets te snel. Het hart zit vol kracht, liefde en passie. Hij doet het niet om anderen voorbij te streven en ook niet om anderen te beschadigen. Maar voor hij er erg in heeft, is hij de ander toch weer een stap voor. Zo ook nu.

Als Petrus zijn Meester ziet, wil hij bij Hem zijn.
“Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.”

Opvallend: Petrus vraagt het eerst. Hij stapt niet zonder toestemming overboord. Hij wacht op het bevel van zijn Meester. Maar wat hij door zijn snelheid misschien niet beseft, is het wonder zelf. Wie zou er op de golven van de zee kunnen lopen?

Na het bevel stapt hij overboord en loopt tot Jezus. Zonder schroom, zonder angst, zonder eerst na te denken over het gevaar.

Ach Petrus… was je maar een beetje een Johannes.

Johannes staat op het schip en kijkt ook naar Hem. Ook hij voelt de liefde voor zijn Meester branden. Maar hij denkt er niet aan om overboord te stappen. Hij wacht. Hij ziet en gelooft. Hij wacht tot zijn Meester bij hem is.

Maar misschien moet Johannes ook wel een beetje Petrus worden.

Petrus loopt al over de golven. En daar voelt hij de wind in zijn gezicht. Daar voelt hij het water onder zijn voeten. Daar doordrenkt het zeewater zijn kleding. En dan beseft Petrus: dit is eigenlijk onmogelijk.

Zijn ogen zijn niet meer omhooggeslagen. Zijn blik daalt naar beneden, naar de golven. En dan… zinkt hij weg in het water.

Hij zal vergaan als de hand van zijn Meester hem niet grijpt om hem te redden.

Hij redt. Ook nu.

 

Wie zijn wij? Durven wij over de reling van ons levensschip de zee te betreden? Of blijven wij maar veilig aan boord en dobberen wij naar onze bestemming zonder dat wij Hem nodig hebben Die op het water loopt?

En welke van de discipelen zijn wij wanneer wij Hem wel nodig hebben?

Dan moet Petrus een beetje een Johannes worden en Johannes een beetje een Petrus. Petrus moet leren wachten en Johannes moet leren stappen. Beiden hebben zij hun Meester nodig. En zo moeten ook wij overboord durven stappen, met de ogen op Hem gericht.

De discipelen varen met Hem aan boord weer verder. De storm is voorbij. Het schip zet opnieuw koers. Maar Petrus heeft iets geleerd wat hij nooit meer zal vergeten.

En toch… enkele jaren later klinkt opnieuw de roep van de zee.

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.