De derde Scheppingsdag: God schiep de zeeën en gaf het land zijn vorm. De zee: grote watermassa's die het aardrijk bedekken en bevochtigen. De zee is onmisbaar. Zonder de zee zou er veel minder voedsel zijn, zonder de zee zou er geen verkoeling zijn voor de aarde en, zeker in vroeger tijden, zonder de zee geen mogelijkheid tot het vervoer van goederen en mensen naar overzeese gebieden. Daarnaast houdt het zeewater het ecosysteem in balans en is het de woning van talloze soorten flora en fauna.
Wij hebben de oproep gehoord om de zee te bevaren, om daar wijsheid en standvastigheid ons deel te laten zijn, maar ook om de prediking van de zee te horen, haar te verstaan en het oog omhoog te slaan tot Hem.
Want Hij is het Die hemel, aarde en zee geschapen heeft. En Hij is het Die ons voorging in het schip. We gaan dus naar het Meer van Galilea. Een schippersbootje steekt van de wal bij Kapernaüm af.
Mattheus 8 : 23 - 27
Het is een lange dag geweest voor de discipelen. Ze hebben veel meegemaakt. Wij zouden zeggen: de prikkels van de dag moeten worden verwerkt. De grote schare die zich om Hem en hen heen verzamelde, de wonderen, de lessen… het heeft hen vermoeid. De Heere Zelf beveelt hun het schip in te gaan. Gehoorzaam varen zij het meer op. De Heere Zelf, ook vermoeid van de dag, ligt te slapen.
Rustig kabbelen de golven langs het schip. Voor vier van de discipelen is de zee geen onbekend terrein. Net als de predikanten van nu hadden sommige discipelen van toen een beroep voordat zij Hem volgden. In ieder geval Andreas, Petrus, Johannes en Jakobus waren vissers van beroep. Zij hadden jarenlang op het meer gevaren en hun netten uitgeworpen. Voor hen voelde het varen dan ook als thuiskomen. Daar konden zij ontspannen door te luisteren naar het klotsen van de golven, het waaien van de wind, de vochtige geur van het water en de roep van een zeevogel.
Na een dag vol indrukken moeten die indrukken verwerkt worden. Hoe zou dat gebeurd zijn? De Bijbel vertelt het niet, maar wij kunnen het ons indenken.
Verschillende discipelen staan aan de reling, in gedachten verzonken. Ze turen over het water naar een punt in de verte. Beelden van de afgelopen dag passeren hun geest. Woorden die gesproken zijn, komen terug in hun gedachten.
Anderen staan zachtjes met elkaar te praten. Hun Meester ligt immers te slapen. Op fluistertoon spreken ze over de afgelopen dag. Ze delen elkaars gedachten, spreken over wat er in hen omgaat, fantaseren over wat de toekomst brengen moge en bespreken hun geloof, hun hoop en hun liefde.
Tot…
De wind trekt aan. De lucht trekt dicht. De golven worden hoger en beuken tegen het schip. De touwen slaan tegen de mast en veroorzaken een hard, klapperend geluid. De storm steekt op.
Zeker de ervaren schippers weten wat zij moeten doen. Bedrijvig zijn ze in de weer om het schip op koers te houden en voor gevaar te bewaren. Het zeewater doordrenkt hen tijdens het harde werk. Al snel slaat de schrik hun om het hart. Er is geen houden aan. Zo'n storm hebben ze nog nooit meegemaakt. Harder waait de wind, ruwer wordt het water.
En Jezus slaapt.
Hoe hard ze ook hun best doen… het schip is niet meer te besturen. Het wordt door de golven opgetild en in de diepte gesmeten. Het dobbert stuurloos rond. Zo gaat het niet goed. Zo gaat het verkeerd. Zo zullen ze nog vergaan.
En wat doen zij als de nood het hoogst is?
Ze keren zich tot Hem: “Heere, behoud ons, wij vergaan!”
En Hij staat op. Hij bestraft de winden en de zee. En daar wordt het stil.
Ons levensschip vaart op de golven van de tijd. Wij zijn begonnen bij de kade van de geboorte en varen naar de overzijde, waar de kade van de dood ons wacht. Wat voor zee varen wij eigenlijk op? Heeft het onderweg al gestormd?
Want wij beginnen allen op rustig water. Een vlakke zee, een schone lucht. Kalm varen wij de tijd door. Maar ieder van ons komt op een dag in een storm terecht. Dan bruist het in de ziel, terwijl de winden de gedachten doen zwiepen als de touwen aan de mast en de golven van ellende op ons schip inbeuken.
Wat doen wij op dat moment?
Keren wij ons tot eigen krachten? Gaan wij de strijd met de zee aan? Proberen wij zelf ons schip te redden?
Het zal menigmaal lijken te lukken. Maar één ding weten wij dan wel zeker: nieuwe stormen zullen woeden. Ons schip zal nog vaker worden opgetild en neergesmeten in de golven. Wij zullen nog vaker moeten strijden. Iedere storm zal de angst om te vergaan groter maken. Tot de storm ons schip zal breken en wij voor altijd verloren gaan.
Of keren wij ons tot de Heere, Die ons kan redden?
Roepen wij te midden van het stormgeweld: “Heere, help en red!”
Want als Hij Zelf de stormen stilt en de zee na de storm weer vlak wordt, kunnen ook wij ons vertrouwen op Hem stellen. Dan mogen wij rusten, omdat Hij waakt. Dan liggen wij daar, slapen wij gerust, zijn wij van Zijn trouw bewust, totdat wij weer verfrist ontwaken voor een nieuwe dag aan boord van ons levensschip.
Terug naar Galilea.
Ook Petrus kent die stormen in zijn leven. De storm die deze nacht gewoed heeft, is gestild door Hem Die Petrus zo innig liefheeft. Petrus geniet van de rust. Het water is weer kalm. De wind is gaan liggen.
Wat Petrus niet weet, is dat de storm in zijn leven opnieuw zal opsteken…
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties