Ik hoorde eens de roep der zee
en keerde mij erheen.
Daar durfde ik aan boord te gaan
en ging met een schip mee.
Toen voer ik op de zeeën rond,
met het aloude schip,
Daar leerde ik een man te zijn,
daar leerde ik mijn ‘ik’.
Ik leerde daar getrouw te zijn,
aan ’t woord van mijn kap’tein.
Ik lette goed op de natuur
om steeds veilig te zijn.
Ik sloeg de ogen meermaals op
naar wind en wolken hoog,
maar keek nooit verder opwaarts op,
dan naar de wolkenboog.
Maar toen de storm begon te slaan,
met kracht als een orkaan,
Toen leerde ik dat ‘k zonder Hem
gewis zou zijn vergaan.
Mijn kracht is klein, mijn geest is zwak
ik ben een nietig man,
ik moet mijn ogen opwaarts slaan,
tot Hem Die redden kan.
Tot Hem Die Zelf de zee bevoer
met Zijn discip’len saâm,
en daar met één wenk van Zijn hand
de storm zijn kracht benam.
Die liep op de golven der zee,
in ’t midden van de wind,
Die Petrus redde van de dood,
Die Zijn kind’ren bemint.
Och Heere, kom aan boord van ’t schip
wat vaart op d’ levenszee,
want zonder U zal ik vergaan;
gaat Gij dan met mij mee?
Wilt Gij mijn trouwe borg toch zijn
als golven op ’t schip slaan?
Wilt Gij de wind nog eens stillen,
als ’t schip dreigt te vergaan?
Dan vaar ik naar een blijder kust,
dan vindt mijn ziele rust,
dan weet ik: God is mijn Kap’tein,
in Hem is al mijn lust.
Hij stuurt mijn schip over de zee
van ’s levens oceaan.
En bij het einde van mijn reis
loof ik Zijn wonderdaân!
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties