De klink omlaag - 2026

Gepubliceerd op 2 januari 2026 om 17:00

Staande voor de deur van 2026 rust mijn hand op de deurklink. 
Wanneer de klok weerklinkt, druk ik de hendel naar beneden en stap door de deuropening…

 

Een frisse wind waait door mijn haar. Ik laat de donkere kamer van 2025 achter mij en stap naar buiten. De wind die van zee de kade opstroomt, speelt met mijn haren. Boven het azuurblauwe water zie ik de opkomende morgenzon dapper aan de hemel klimmen.

 

Op de kade is het nog stil. De dronken zeelui liggen nog in hun bed; de schoffies van de nacht, die met knallen het oude jaar uitluidden, zijn verdwenen. Slechts enkele kerkgangers begeven zich op dit vroege uur van de eerste januari ter kerke. De mannen in keurige kostuums, de dames in vrolijke jurken met uitbundige hoeden. Niemand lijkt zich te storen aan de stevige wind die deze eerste dag van 2026 waait.

 

Vrolijk kijken ze mij aan.
„Van harte al het onmisbare gewenst voor het komende jaar!” klinkt het mij tegemoet.
Ik beantwoord het met een glimlach: „Dank, en van harte hetzelfde toegewenst!”

 

Het water van de zee kabbelt tegen de kade. Het zijn de eerste muzikale klanken die mij in 2026 bereiken. Op de maat loop ik verder, terwijl de geur van oliebollen plaatsmaakt voor die van versgebakken nieuwjaarswafeltjes uit een nabij kraampje.

 

Ik heradem… de beklemmende oudejaarsnacht ligt achter mij. Een nieuwe dag is begonnen. Op het ritme van de zee hoor ik woorden weerklinken:
„Dit is de dag die God ons schenkt.”
Neuriënd loop ik verder: „Dank U voor deze nieuwe morgen.”

 

Het jaar dat ik samen met de kerkgangers, maar ook met de dronkenlappen en vandalen ben binnengegaan, is het jaar des HEEREN 2026. Even blijf ik staan wanneer ik het gesnurk hoor uit het raam van een open slaapkamer. Al loop ik hier tussen de kerkgangers; hoor ik zelf niet evenzeer bij de slapende zielen? Ben ik beter dan zij?

 

In gedachten wandel ik verder, tot het geluid van hijslijnen tegen een mast mijn aandacht trekt. Het is het enige bootje dat in de haven ligt. Wanneer ik dichterbij kom, lees ik de naam op de boeg. Verbaasd blijf ik staan. Het draagt mijn eigen naam. Het bootje trekt mij onweerstaanbaar aan. Ik kan niet anders dan aan boord gaan.

 

Terwijl ik aan boord ga zie ik mist op komen zetten. Niet veel later is er voor mij niets meer zichtbaar. Achter mij ligt de haven van 1 januari; het veilige, het bekende. Maar ik voel: ik kan hier niet blijven. Ik moet de toekomst in. Ik licht het anker, gooi de trossen los en steek van wal.

 

Daar dobber ik op de golven van 2026. Mijn schip is onderweg. Wat zal de toekomst brengen? Voor mij ligt zij gehuld in mist. De overkant van de zee is onzichtbaar. Ik besef dat ik niet eens weet of ik die overkant zal bereiken. Wie zegt dat mij dit jaar geen zeemansgraf wacht?

 

Ook weet ik niet wie met mij mee zullen varen. Welke bootjes zullen langszij komen? Wie zullen mij bezoeken, met mij optrekken, een stuk van de reis meevaaren? Zullen stormen woeden en golven tegen mijn schip slaan, of zal ik in rust varen over een spiegelgladde zee? En belangrijker nog: vaar ik straks in het donker, of door Godd'lijk licht bestraalt?

 

Eén ding weet ik zeker: ik mag dan kapitein zijn van mijn schip, ik ben niet de Stuurman. Mijn vaarroute ligt reeds vast. Wel zal ik als kapitein keuzes moeten maken op die route. En dan rijst de vraag: vertrouw ik op mezelf, of neig ik mij naar de aanwijzingen van de Stuurman?

 

Hoe dan ook… de kade verdwijnt achter mij uit het zicht. De zilte zeelucht vult mijn longen. Ik trek mijn jas steviger dicht en geniet van het zonlicht achter mij, dat de mist voor mij stukje bij beetje doet verdwijnen.

 

Zo vaar ik de onbekende toekomst in.
U ook.
Waar zal de tocht ons brengen?

 

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.