Een koude wintermorgen

Gepubliceerd op 9 januari 2026 om 17:00

Dit artikel behoort tot de reeks: Ouderwetse degelijkheid

 

Het is een vroege maandagmorgen in januari 1901. De donkere dagen vóór kerst zijn voorbij; kerst zelf ligt achter ons en ook oud en nieuw zijn geweest. Een nieuw jaar is begonnen en de winter heeft zijn intrede gedaan.

 

Diep verborgen onder een grote stapel dekens ligt Jan nog in diepe slaap.

 

‘Wakker worden, Jan, je moet naar school!’ roept moeder door het kleine huisje dat aan een smal straatje staat, in zo’n typisch Hollands dorp, verscholen midden in de polder. Wie de trap oploopt naar Jans kleine kamertje ziet daar nog niets veranderen onder de zware dekenstapel. Jan snurkt onverstoorbaar verder.

 

Bim! Bam! Bim! Bam! — de kerkklok in het dorp slaat acht keer. Het is tijd om op te staan. Onder de wol lijkt eindelijk iets te bewegen. Eerst gaat de stapel wat op en neer, vervolgens beginnen de dekens zich langzaam te ontvouwen en heel voorzichtig verschijnt het gezicht van een Hollandse jongen. Blond haar, blauwe ogen en rode wangetjes, rood van de kou die de bovenverdieping vult. Even later komen daar twee kleine knuistjes bij, die driftig in de ogen wrijven om de slaap te verdrijven.

 

Jan rilt. Snel trekt hij zijn kleren aan en loopt de trap af. Door de kieren van de vloer ruikt hij de warme melk die moeder op het kleine gaskacheltje in de keuken verwarmt, vermengd met de geur van brandend hout. De houtkachel in de hoek van de kamer verspreidt een heerlijke warmte door het huisje. Jan loopt erheen en steekt zijn handen uit om zich op te warmen.

 

‘Goedemorgen, Jan!’ zegt moeder terwijl ze hem een stevige zoen geeft. ‘Lekker geslapen?’
‘Ja, mam!’ zegt Jan, terwijl hij heftig knikt.
Moeder drukt hem een beker warme melk in de handen. ‘Hier, om op te warmen. We gaan zo ontbijten.’
‘Dank je, mam,’ zegt Jan, terwijl hij voorzichtig een slok neemt.

 

Terwijl Jan zijn melk drinkt, kijkt hij naar de ramen. Het vroege ochtendlicht schijnt erdoorheen, maar de ruiten lijken wel kunstwerken: de prachtigste ijsbloemen sieren het glas.
‘Wat is dat, mam?’ vraagt Jan, terwijl hij wijst.
‘Dat komt doordat het buiten vriest,’ antwoordt moeder. ‘Maar ik heb nog een grotere verrassing. Die zie je straks, als je naar buiten gaat. Eerst eten.’

 

Na de stevige bruine boterhammen met kaas helpt moeder Jan in zijn jas. ‘Doe voorzichtig en veel plezier vandaag,’ zegt ze knipogend, terwijl ze hem een kus op het voorhoofd geeft.

 

Wanneer Jan de deur opent, ziet hij wat moeder bedoelde. Een witte wereld ligt voor hem. De straten, de lantaarns, de kale bomen… ja, zelfs de haan op de kerktoren… alles is bedekt met een laag verse sneeuw. Nog voor hij goed en wel buiten staat, krijgt hij pardoes een sneeuwbal in het gezicht.
‘Ha ha ha, raak!’ roept Henk lachend, terwijl hij op Jan afloopt. ‘Zullen we samen naar school gaan? Ik heb een slee bij me. Jij mag er als eerste op!’
‘Ja, tof!’ roept Jan, maar eerst… Hij bukt zich om zelf een sneeuwbal te maken. ‘Eerst pak ik je terug!’

 

Een echte Hollandse winter uit vervlogen tijden. Hoort dat niet bij ouderwetse degelijkheid? Waar zijn de winters gebleven waarin het vroor dat het kraakte? Waarin het land wekenlang bedekt was met een wollen winterdeken en rivieren, sloten en meren bevroren? Waarin Nederland massaal de ijzers onderbond om te schaatsen?

 

Waar paardenkoetsen met rinkelende belletjes door de straten gleden? Waar koek-en-zopiekramen als paddenstoelen langs de ijsbanen verschenen? Waar sneeuwengeltjes op stoepen ontstonden? Waar elk huis er een extra ‘inwoner’ bij kreeg: een sneeuwpop, natuurlijk met een rode wollen das en een hoge hoed op het ronde witte hoofd?

 

Helaas behoren zulke winters grotendeels tot het verleden. Door de opwarming van de aarde bereiken de temperaturen zelden nog de dieptes die de thermometers vroeger aangaven. Sneeuwval blijft vaak uit en schaatsen op natuurijs is een unicum geworden.

 

En in de jachtige tijd van 2025 zijn we daar eigenlijk ook nog blij mee. We moeten naar ons werk, hebben geen tijd om te genieten van de winterse pracht. Wie ’s morgens zijn auto moet krabben, denkt vooral: Hoe kom ik op tijd op kantoor? Wie met de trein reist, strandt bij vallende sneeuw al snel op het station. En wie per fiets naar school gaat, glijdt uit en moppert op de gemeente omdat het fietspad nog niet is gestrooid.

 

Het ongemak wordt sneller gevoeld dan de schoonheid van de winter. En dat terwijl sneeuw en ijs inmiddels zeldzaam zijn geworden. Jarenlang daalden er nauwelijks vlokken neer, jarenlang bleven de schaatsen in het vet.

 

Maar dit jaar is het anders. Eindelijk daalde de sneeuw weer uit de hemel neer. Nederland ontwaakte afgelopen dinsdag in een witte wereld. Eindelijk weer een echte winter.
En wat deden wij? Klaagden wij over het ongemak, of werden we er blij van?

 

Toegegeven: rijden naar het werk was meer glijden dan rijden. Maar eenmaal aangekomen heb ik samen met twee volwassen collega’s sneeuwballen gegooid. En diezelfde avond werd ik ook nog eens ‘ingezeept’ door een vriend. Volwassenen werden weer even kind, en kinderen genoten volop.

 

Het deed mij denken aan een bericht dat ik deze week ontving en dat het perfect samenvatte:

‘Ik vond het mooi om de sneeuw te zien, en vooral om de kinders zo blij te zien. Dat was leuk en mooi. Zelf heb ik er ook niet echt last van gehad; ik moest alleen wat rustiger rijden deze week.’

 

Zou de schrijver van dit bericht ons niet tot voorbeeld moeten zijn, wanneer wij klagend door de winterse dagen gaan? Hij begreep het: dit is een winter zoals hij hoort te zijn; een ouderwetse Hollandse winter.
Hadden wij die maar elk jaar opnieuw...

En begint u ook niet te hopen dat de temperaturen dit weekend (zoals voorspeld) ver onder nul uitkomen?
Zouden wij dit jaar, na de sneeuw, dan ook nog het ijs mogen betreden?

 

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.