Tijdens de lijdenstijd van 2026 dringen geuren uit verleden, heden en toekomst onze neusgaten binnen en bezetten zij onze gedachten.
Het is al meer dan 30 jaar geleden dat de wijzen uit het Oosten Hem bezochten in Bethlehem. De geuren van mirre en wierook, die in dat eenvoudige huis te ruiken waren, zijn vervlogen in de tijd.
In Jeruzalem gaat het offeren onverminderd voort. Daar branden dagelijks nog de reuk- en brandoffers als teken van het uitzien naar de komst van Gods Zoon op aarde. Ieder heeft de verhalen wel gehoord van Jezus uit Nazareth, Die wonderen verrichtte, maar Gods Zoon? De zaden van twijfel zijn overal gezaaid, en bij hen die het wel zagen maar niet geloofden, bleef het uitzien naar Zijn komst onverminderd bestaan.
Hoe snel zijn wij geneigd hen te bestempelen als dwazen, maar is dat terecht? Zouden wij wel gezien én geloofd hebben?
De geur van de offers wordt niet geroken in een klein, eenvoudig huis, op een half uur lopen van Jeruzalem. Daar, in Bethanië, zit een klein gezelschap aan tafel. Daar wordt de dunne hals van een albasten fles gebroken; daar stroomt de welriekende olie door de kamer.
Diezelfde olie waar koning Salomo in zijn Hooglied eeuwen eerder al van jubelde:
“Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.” (Hooglied 1:12)
en later:
“Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cipres met nardus; nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen.” (Hooglied 4:12–14)
De nardusolie die hier wordt beschreven, wordt gewonnen uit de wortels van de Nardostachys jatamansi, een plant die voorkomt in Azië. Zij is te vinden in de Himalaya, in India en (in kleinere hoeveelheden) ook in het huidige Afghanistan, het vroegere Perzië. De geur van nardus is diep en kruidig, zwaar en aanwezig.
En juist dat eenvoudige huis in Bethanië wordt vervuld met de geur van de nardusolie. Een geur van weldaad en rijkdom.
Wij zijn, enkele dagen na de intocht in Jeruzalem, te gast bij Simon, de melaatse. Daar wordt de maaltijd gebruikt door een kleine groep mensen. Simon, Martha, Maria en Lazarus zijn aanwezig; ook de twaalf discipelen zitten aan tafel. Een kleine groep mensen, vrienden van elkaar. Vrienden? Nee, meer dan dat. Zij waren broeders en zusters, leden van Zijn lichaam hier op aarde. Zij waren één met Hem: met Hem Die aan de kop van de tafel lag. Met de Heere Jezus, Die door het volk bejubeld was: “Gezegend is Hij Die komt in de Naam des HEEREN”, maar Die voor het oog van het volk alweer teleurstelde.
Allen? Ach nee… daar zit ook één discipel aan tafel, wiens naam wij allen kennen: Judas. Hij had ook gezien, maar geloofde niet. Natuurlijk… wie van ons wil niet graag bij de intimi van de Heere Jezus horen? Maar wie van ons zou niet moeten erkennen meer een Judas zijn? Dat wij voor het oog van de wereld netjes leven, Hem volgen, Zijn wil doen, en toch moeten constateren dat ons hart, net als dat van Judas, vol list en bedrog is? Dat ook wij Hem zouden verkopen voor eigen goed en goud?
Maria’s hart heeft zich die avond gevuld met een brandende liefde die zij zelf niet kon verklaren. Het was liefde in haar puurste vorm. Haar Meester, haar Rots, haar Burcht, haar Zaligmaker… Hij zat met haar aan tafel. Wie was zij dat zij daarbij mocht zijn? Hoe kon Hij haar, arme zondaar, zo genadig zijn? Maria kon het niet uitwonderen. Zij moest haar liefde voor Hem tonen, maar hoe?
Daar stond zij op. Daar greep zij de fles. Daar brak zij de hals ervan. Daar goot zij de kostelijk geurende zalf uit over het hoofd van haar Meester. Daar droop de olie, zoals de zalfolie op Aärons hoofd neerdaalde, langs Zijn baard tot aan de zoom van Zijn kleed. Het was als de dauw die Hermons kruin bedekt, die Sion met vruchtbaar vocht besproeit en op zijn bergen nederdaalt. Het was een liefdegeur die ieder tot liefde nopen moest.
Aan het jaarloon dat daar op de vloer drupte, dacht Maria niet. De bitse woorden die zouden volgen over verkwisting evenmin. Met het leeggieten van de fles stortte zij haar hart, vol liefde, over Hem uit. Met de geur van de nardus die zich door de woning verspreidde, kon iedereen zien hoezeer zij van Hem hield. Een uiterst teer moment.
En de reactie: “Verkwisting!” “Onbegrijpelijk!” “Wij hadden de armen ervan kunnen voeden.” Haar broeders in het geloof vielen haar af. Wat moet dat tere, liefdevolle moment voor haar een bittere nasmaak hebben gekregen.
Of niet?
Want Hij zag haar aan. Hij wees hen op haar liefde voor Hem:
“Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht. Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd. Zij heeft gedaan hetgeen zij kon; zij is voorgekomen om Mijn lichaam te zalven tot een voorbereiding tot Mijn begrafenis.” (Markus 14:6–8)
Het gaat naar Goede Vrijdag.
Als over twee dagen de nardusolie vervlogen is, zullen Zijn klederen, die nu nog doordrenkt zijn van de olie, worden verdobbeld.
Nog twee dagen…
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties