Tijdens de lijdenstijd van 2026 dringen geuren uit verleden, heden en toekomst onze neusgaten binnen en bezetten zij onze gedachten.
Het is de Goede Vrijdagavond. Aan de lieflijke geur van de brandoffers denkt niemand meer. Sterker nog: het voorhangsel in de tempel is in tweeën gescheurd. Aan de offerdienst is vanavond een einde gekomen. Alle offers hadden heen gewezen naar het Lam dat voor de zonden van Zijn volk zou lijden; Hij was gekomen, Hij was gestorven.
De geur van de wierook te Nazareth; wie denkt daar nog aan? Ook Maria, de moeder van de Heere Jezus, denkt niet terug aan de verbazing die zij voelde toen de wijzen uit het Oosten voor haar deur stonden. Haar hart is deze avond vervuld met een onbeschrijfelijke smart. Het Kind dat zij gebaard heeft, is gestorven. Een zwaard is door haar ziel gegaan.
De geur van de nardusolie van de gezalfde Koning is evenmin nog te ruiken. De klederen waarin die geur nog vaag aanwezig was, zijn verdobbeld en verspreid. Het is verloren vanavond… alles verloren.
Maar wacht… niet al Zijn volgelingen zijn weggevlucht. Op de schedelplaats, Golgotha, zijn nog twee mannen aanwezig: Jozef van Arimathea en Nicodemus. Zij zijn het die het lichaam van de gestorvene voorzichtig van het kruis halen.
De geur van gestold bloed, oud zweet en zoute lichaamssappen dringt diep hun neus binnen. Het zijn deze geuren die de tranen in hun ogen doen opwellen; tranen van verdriet en intense rouw.
De weeïge geur van het bloed stijgt op uit de vele wonden van het lichaam: op Zijn hoofd de wonden van de doornenkroon, op Zijn rug de striemen van de geselslagen, vermengd met de splinters van het kruis; in Zijn handen en voeten de gaten van de nagels waarmee Hij was vastgenageld; in Zijn zijde de wond van de speer waarmee Zijn dood werd bevestigd.
De geur van het bloed doet hen denken aan de striemen en wonden die Hem werden toegebracht om hun zonden. Voor hen worden de woorden van Jesaja 53:5 werkelijkheid: “Door Zijn striemen is ons genezing geworden.”
De zurige geur van oud zweet bedekt het hele lichaam. Het lijden dat gisterenavond in de hof Zijn deel was, heeft Hem doen zweten. De lichamelijke inspanning van Witte Donderdag en Goede Vrijdag heeft Zijn lichaam tot het uiterste gedreven. De koorts en doodsstrijd hebben Hem doen zweten, ja, tot bloedens toe. Lucas 22:44 zegt: “En Zijn zweet werd als grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.”
De geur van het gedroogde zweet herinnert Jozef en Nicodemus aan de strijd die Hij voor hen streed. Hoewel zij dagelijks te kampen hebben met zonden die hun aankleven en hun tot leed zijn, heeft Hij die op Zich genomen.
De zoute geur van de lichaamssappen die uit Zijn zijde stroomden, vermengt zich deze avond met de zoute geur van de tranen die uit hun ogen vallen op het lichaam van hun Meester en Zaligmaker. Met iedere traan stroomt liefde uit hun harten tot Hem, Die voor hen wél de Koning der Joden is; in tegenstelling tot hun volksgenoten.
Nog maar een week geleden dacht datzelfde volk er anders over. Toen klonk het door de straten: “Gezegend is Hij Die komt in de Naam des Heeren!” en zwaaiden zij met palmbladeren. Toen weende Hij. Gisterenavond echter schreeuwde datzelfde volk: “Kruis Hem!”
Nu is het volk naar huis, en zijn alleen Jozef en Nicodemus overgebleven.
Pilatus heeft hun toestemming gegeven het lichaam te begraven. Met heilige eerbied en pijn in het hart reinigen en balsemen zij het. Opnieuw verspreidt zich de geur van mirre en aloë; de geur die Maria bij Zijn geboorte rook, wordt nu bij Zijn begrafenis geroken. Drieëndertig jaar geleden was die geur een bron van vreugde, nu van diep verdriet.
Voor zonsondergang op deze Goede Vrijdag wordt de Heere in het graf gelegd. De steen wordt ervoor gerold. Daarna gaan de mannen ieder hun weg.
In warme landen moeten de lichamen van overledenen snel begraven worden. Wanneer het hart niet meer klopt en het lichaam geen warmte meer afvoert, treedt ontbinding snel in. De geur van de dood wordt al kort na het overlijden merkbaar. Wie die geur ooit heeft geroken, kent haar zwaarte. Geen geur ter wereld is zo indringend als die van ontbinding. Wie eraan blootgesteld wordt, voelt de drang zijn kleren te wassen en zijn lichaam te reinigen; zich te ontdoen van de walgelijke stank. Dagen later hangt die geur nog in de neus.
Die geur herinnert ons eraan dat ook wij eenmaal zo zullen ruiken. Dat ook wij moeten sterven. Zij is ons tot een memento mori.
In het graf te Jeruzalem zou deze stank de geur van mirre en aloë verdringen…
Of zou het anders zijn?
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties