Tijdens de lijdenstijd van 2026 dringen geuren uit verleden, heden en toekomst onze neusgaten binnen en bezetten zij onze gedachten.
Het is Goede Vrijdag geweest. Jozef van Arimathea en Nicodemus hebben in grote haast het lichaam van de Heere Jezus gebalsemd met mirre en aloë. Daarna zijn ook zij naar huis gegaan, want de sabbat stond voor de deur; een sabbat waarin Zijn volk ontredderd achterbleef.
En nu is het de ochtend na de sabbat. In alle vroegte, op deze zondagmorgen, loopt een groep vrouwen met gebogen hoofd naar de tuin van Jozef van Arimathea. Daar is hun Heer’ en Meester te ruste gelegd. Daar ligt het ontzielde lichaam in het graf. Een bekende geur vergezelt hen op hun pad: de geur die ook op Golgotha te ruiken was; de geur van mirre en aloë. Vanwege de grote haast, veroorzaakt door de naderende zonsondergang, was de balseming niet volledig uitgevoerd. De vrouwen komen deze morgen het droeve werk voltooien.
Door de tuin naderen zij het graf. Zij verwachten een gesloten graf aan te treffen; een graf waarin de geur van de gebruikte specerijen zich vermengd heeft met het vochtige, muffe van de grafheuvel en de verstikkende walm van de dood: de geur van ontbinding.
Hoe anders is het wanneer zij bij het graf aankomen. De steen is reeds van de ingang afgewenteld. Wanneer zij de grafkamer betreden, treffen zij daar een jongeman in blinkend witte kleding (Marcus), of zoals Lukas vermeldt: twee engelen. En daar horen zij het: “Hij is hier niet, Hij is opgestaan. Wat zoekt u de Levende bij de doden?”
In één ogenblik zijn zij van hun smart verlost. Hun God en Heer’ heeft het graf overwonnen; de dood is door Hem tenietgedaan. Wat een onuitsprekelijke zegen, wat een onmenselijk geluk!
Maar hebt u er ooit bij stilgestaan wat de vrouwen roken in het graf? Want alleen al van het aroma van het graf gaat een prediking uit. Niet de geur die zij verwacht hadden drong hun neus binnen. Het was er niet muf, het rook niet naar de dood, integendeel.
Daar lagen de linnen doeken van de lijkwade, licht en zacht geurig, doordrenkt met een zweem van mirre en aloë. Maar de benauwde grafgeur was verdwenen. De steen was immers afgewenteld. De frisse morgenlucht was het graf binnen gestroomd: de geur van dauw op het gras, de geur van olijfbomen die opwarmden in het eerste zonlicht, de geur van bloemen die hun knoppen openden in de vroege ochtend.
Die allereerste Paasdag rook het graf niet naar de dood, maar naar nieuw leven; een geur die voor het laatst werd geroken in het inmiddels verloren paradijs: de geur van Gods schepping.
Zouden de vrouwen deze geur hebben waargenomen? Of waren zij te ontsteld door de aanblik van de engelen?
Wij zouden kunnen vermoeden dat het laatste het geval was, dat zij geen acht sloegen op deze frisse geur van het leven. Maar juist daarin ligt iets bijzonders: deze geur ging niet alleen uit van het graf. De geur van het nieuwe leven ging ook van hén uit.
Zegt Paulus immers in 2 Korinthe 2:14-16:
“En Gode zij dank, Die ons allen tijd doet triomferen in Christus, en den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan; dezen wel een reuk des doods ten dode, maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?”
De vrouwen waren zalig doordat ze Hem kenden als Borg die ook voor hun zonden gestorven was. Maar niet alleen dat! Hij was ook voor hen opgestaan. Hij had voor hen de dood en het graf overwonnen.
De vrouwen waren doortrokken van de geur van Christus. Een geur die herinnert aan de roos van Saron en de leliën der dalen (Hooglied 2); ja, een geur van mirre, aloë en kassie (Psalm 45). In hun werken wordt deze geur zichtbaar, in hun levenswandel blijkt hun liefde tot Hem. In hun woorden klinkt vermaning, zorg voor de naaste en een brandende liefde tot Zijn geboden.
Tegen deze geur kan niets op. Geen bloemen uit het paradijs, geen brandoffers, geen wierook of mirre, geen kostbare nardusolie; zelfs de geur van de dood vervaagt daarbij tot niets.
Pasen 2026. Traditiegetrouw keert men ter kerke. Vroeg in de morgen gaan de wekkers, men staat op, ontbijt en kleedt zich om naar de kerk te gaan. Daar klinkt opnieuw het “psssht” waarmee ik mijn eerste artikel deze lijdenstijd begon: uit vele flacons stijgen geuren op. Parfums en eau de toilette hechten zich aan onze huid en vullen de lucht.
Maar dan blijft er één vraag over, die ieder zich moet stellen:
Verschuil ik mij achter de luxe van een geur, om mijn onzekerheid en de geur van de dood te verbergen?
Of is het anders: vloeit de geur van mijn parfum samen met de geur van het leven?
Met de geur van Christus?
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties