Koningsdag 2026, 09.00 uur in de morgen. Door mijn woonplaats klinkt de feestelijke klank van de kerkklok. Nederland viert zijn nationale feestdag: de dag waarop onze vorst, ontvangen uit de hand der Vorsten Vorst, zijn verjaardag mag gedenken.
Het is ook de dag van aubades en vaderlandse liederen, die het gelal van de Koningsnacht doen verstommen. Vandaag geen geklaag over regeringsbeleid of het frisse voorjaarsweer. Nee, vandaag trekken wij massaal naar vrijmarkten en optochten. Vandaag eten wij tompoezen en drinken wij oranjebitter. Vandaag zijn wij er dankbaar voor een Nederlander te zijn.
Niet in de laatste plaats vanwege ons volkslied, dat zo rijk spreekt over onze geschiedenis, waarin kerk en staat nauw verweven zijn. In het spoor van eerdere overdenkingen sta ik vandaag opnieuw stil bij een couplet, het vijfde:
Edel en hooggeboren
van keizerlijken stam
Hier spreekt Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands. Nadat hij in eerdere coupletten zijn persoonlijke verliezen onder woorden heeft gebracht, richt hij zich hier tot het volk. In deze regels legt hij verantwoording af: wie hij is, en vanwaar hij komt.
Willem stamt uit het geslacht Nassau-Dillenburg, een oud adellijk huis. Reeds bij zijn geboorte droeg hij de tekenen van aanzien. Als zoon van een graaf was zijn positie bepaald.
Wij kennen Willem als Prins. Vanuit Frankrijk erfde hij op 11-jarige leeftijd het prinsdom Orange. Vanaf dit moment was Willem dus niet alleen graaf, ook prins.
Toch, uit de eerdere overdenkingen weten wij dat Willem de God van hemel en aarde kende. Kende hij de woorden uit Psalm 146:
“Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt”?
Willem moet hebben beseft dat het wiegje waarin men gelegd wordt geen grond is voor het leven voor Gods aangezicht. Afkomst en aanzien geven geen zekerheid.
een vorst des rijks verkoren
Met deze woorden onderstreept hij zijn positie. Willem was erkend als Reichsfürst (rijksvorst) en mocht op gelijkwaardig niveau spreken met andere vorsten. Hij had invloed en verantwoordelijkheid.
Toch veranderde de situatie ingrijpend toen Filips II aan de macht kwam. De godsdienstige tegenstellingen verscherpten zich. Willem, die zich verbonden wist met de Reformatie, kon zich niet verenigen met de opgelegde leer van Rome.
Willem heeft eerst getracht met woorden de toenemende druk om het katholieke geloof aan te hangen weg te nemen. Toen dit niet lukte, greep hij naar de weg van de strijd in opstand tegen Filips II.
als een vroom christenman
voor Godes Woord geprezen
heb ik, vrij onversaagd
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd
Met de woorden van Psalm 146 nog resonerend weet Willem; het gaat niet om mij. Het gaat niet om het vergroten van mijn grondgebied (let u even op, meneer Poetin?), het gaat niet om het vergroten van mijn macht (let u even op, meneer Trump?), het gaat mij niet om het uitroeien van een volk (let u even op, meneer Abbas)… het gaat slechts op één ding: Vrijheid en Godsvreze.
Doordat Filips II aan de macht kwam werd het Rooms-katholiek geloof doorgevoerd over het Europees grondgebied. Willem was overtuigd protestants. Hij geloofde niet in de leer die vanuit Rome het volk werd opgelegd. Hij kende de Heidelberger Catechismus die door Petrus Datheen in het Nederlands werd vertaald. Willem zal er ongetwijfeld vaak met hem over gesproken hebben (Beiden hebben nauw samengewerkt). Hij kende de Roomse leer dan ook als een vervloekte afgoderij, waarin God niet centraal stond, maar de machthebbers in Rome.
Voor Willem ging de strijd voor vrijheid van zijn volk hand in hand met de strijd voor de vrijheid voor de leer der Reformatie. Daarvoor wilde hij strijden. Daarvoor trok hij zijn zwaard uit de schede. Daarvoor richtte hij de boog. Daarvoor kende hij de ontberingen van het soldatenleven.
Weet u wat mij bijzonder opviel in dit couplet? Slechts twee kleine woorden: ‘zonder vrezen’. Wie zou ten strijde trekken zonder doodsangst? Alleen een onverstandig mens. Of niet?
Want Willem was verre van onverstandig te noemen. Hoe kwam het dan dat Willem ten strijde trok zonder vrees? Zou hij de woorden van Datheens Psalm 27 hebben ingeleefd in het hart: “God is mijn licht, 't welk mij leidt in Zijn wegen, en mijn heil, voor wien zal ik zijn bevreesd? Hij is mijn levens kracht, tot mij genegen; Voor wien zal ik schrikken in dit tempeest?”
Willem had een sterke Strijder aan zijn zijde staan. Daar zouden de groten van deze aarde een voorbeeld aan kunnen nemen.
Wacht eens… alleen de machthebbers der aarde?
Nee, ik had ook de vraag moeten stellen: ‘Let u even op, schrijver? Heeft u een voorbeeld genomen aan Willem van Oranje? Vecht u voor de vrijheid van de leer die naar de Godzaligheid leidt? Leeft u hen die onder u gesteld zijn voor? Komt u in openbare plaatsen hiervoor uit? Durft u weloverwogen met woorden de strijd aan te gaan over wat het geloof voor u betekent?
Eigenlijk moet ik u maar één vraag stellen, schrijver, bent u een Willem van Oranje?
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties