De vuurtoren van Gods genade

Gepubliceerd op 3 juli 2026 om 17:00

"God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen? 
Hij is de HEER', Die hulp verschaft in nood. 
Zul je daaraan denken wanneer je de lichtbundel van deze of een andere vuurtoren zult zien?"

Het waren de woorden waarmee ik het artikel over de vuurtorenwachter vorige week afsloot. Wie heeft er de afgelopen week nog aan die woorden gedacht?

De vuurtorenwachter zou niets zijn zonder zijn vuurtoren. Het gebouw waarin zich, hoog in de top, de lichtbron bevindt die de omgeving verlicht. Iedere vuurtoren ter wereld, van de Brandaris tot het Hoge Licht, heeft dezelfde functie. Zij zijn bakens in de duistere nacht.

Al die vuurtorens die overal ter wereld de kustlijnen sieren, stammen af van de eerste vuurtoren: volgens de overlevering de Pharos van Alexandrië in Egypte. Daar verrees in de oudheid een indrukwekkende toren van naar schatting 119 tot 142 meter hoog. Altijd brandde boven in de toren een vuur. Overdag was de rook ervan in de wijde omtrek zichtbaar; 's nachts werd het licht door spiegels ver de zee op weerkaatst. Nooit hoefden de schippers op de Middellandse Zee te twijfelen waar Alexandrië lag.

De architect van de toren, Sostratos van Knidos, liet het volgende opschrift achter:
"Sostratos van Knidos, zoon van Dexiphanes, aan de Reddende Goden, ten behoeve van de zeevaarders."

De toren werd dus opgedragen aan de reddende goden. Maar wie waren dat? Uit de Griekse en Romeinse mythologie komen namen als Zeus Soter, Proteus, Poseidon, Triton en vele anderen naar voren. Zij moesten de zeelieden beschermen tegen de gevaren van de woeste zee.

Onwillekeurig moet ik denken aan Paulus in Athene. In die afgodische stad trof hij een altaar aan met het opschrift: "Aan de onbekende God." De Atheners waren bang een god over het hoofd te zien. Zo voelt het ook wanneer wij het opschrift van Sostratos lezen. Was hij bang één van de zeegoden te vergeten? Daarom schreef hij eenvoudig: de reddende goden?

Arme Sostratos! Want hij vergat aan Wie de toren werkelijk opgedragen had moeten worden. De vuurtorenwachter, die eeuwen later met ons aan tafel zat, wees ons erop:
"God is mijn Licht, mijn Heil."

Want zijn de vuurtorens van toen en nu niet een afspiegeling van Hem? De vuurtoren brengt licht in de duisternis, hoop te midden van gevaar en veiligheid voor hen die de haven willen bereiken. Hij wijst de weg en blijft standvastig op zijn plaats. Storm noch tegenwind kunnen hem doen wijken. Fier staat hij omhoog om anderen te beschermen.

De geestelijke lijn tussen de aardse vuurtoren en zijn hemelse betekenis is dan ook niet moeilijk te trekken. Want de Vuurtoren van Gods genade brandt!

 

Hij is ons tot licht in het duister. Psalm 119 zingt ervan:
"De opening van Uw woorden zal gewis, gelijk een licht, het donker op doen klaren."
En even verder:
"Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet."

Voor hen die hun ogen op Hem mogen slaan, wijkt de duisternis. Dan worden zij verlost van alles wat hen benauwt. Dan wandelen zij in Zijn licht.

 

Hij is het Die hoop geeft in tijden van nood. Wanneer alle menselijke hulp ontbreekt en er geen uitweg meer lijkt te zijn uit de duisternis van onze gedachten, dan is Hij alleen onze Hoop.

Deze week werd ik daar meerdere malen bij bepaald. Wie zonder God door het leven gaat, heeft geen houvast wanneer verdriet en rouw hem treffen. Men zoekt zijn toevlucht in esoterie, bijgeloof of allerlei vormen van spiritualiteit, maar ware hoop wordt daar niet gevonden. Wie daarin zijn vertrouwen stelt, raakt slechts verder verstrikt.

Dan is de christen rijker, al schreeuwt ook zijn hart de vraag: Waarom? Toch weet hij dat er een antwoord is in Hem. Hij bestuurt alle dingen. Daarin ligt troost en hoop. Zelfs de zwaarste rampspoed kan Hij gebruiken om een mens tot Zich te trekken.

 

Bij Hem zijn wij veilig. Psalm 27 zingt:
"Hij zal mij bergen in 't verborgen van Zijn tent, en op een rots verhogen uit d' ellend'."
Hij schenkt de veiligheid die wij, juist in deze tijd, zo nodig hebben. De aanvallen op de christen en op de christelijke leer zijn talrijk. Zelfs binnen de kerk laait de verdeeldheid op. Toch zal Hij altijd voor Zijn Kerk zorgen.

 

Hij wijst ons de weg die wij moeten gaan. Psalm 32 zegt:
"Mijn leer zal u, o mens, naar 't recht doen hand'len, en wijzen u den weg dien gij zult wand'len."
Wie dat tot zich laat doordringen, beseft dat er in ieder huis een vuurtoren ligt: onze Bijbel. Een baken in de nacht. Die Vuurtoren moet iedere dag geopend worden, opdat Zijn licht zal schijnen.

 

Hij wijkt niet van Zijn volk. Hij wijkt niet van Zijn Kerk. Hij is standvastig. Het Lutherlied en Psalm 46 zingen:
"Een vaste Burcht is onze God."
Hij is onveranderlijk. Hij was, Hij is en Hij zal zijn: het vaste houvast voor allen die Hem vrezen.

 

De Vuurtoren van Zijn genade brandt helder. Maar zien wij dat licht? Zie ík het? Of slaan wij er geen acht op? Denken wij werkelijk dat wij zonder dit Baken in de nacht veilig de haven zullen bereiken? Zijn wij niet bang te pletter te slaan op de rotsen van Gods oordeel?

Wat is de mens toch blind. Laat ons daarom met elkaar de knieën buigen en de grote Wachter aanroepen met de woorden van Psalm 31:

Och, neig tot mij Uw gunstig' oren,
Schiet haastig toe; dat mij
Uw Naam een rotssteen zij;
Een huis, een welgesterkte toren,
Die, op een klip verheven,
Mij veiligheid kan geven.

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.