De vuurtorenwachter

Gepubliceerd op 26 juni 2026 om 17:00

Dit artikel behoort bij de reeks Ouderwetse Degelijkheid

Daar staat hij. Helemaal alleen op een rotsklif, dat is ingesloten door water. Het vaste land ligt enkele kilometers verderop.

Daar staat hij. Met zijn handen in zijn zijde. Zijn jasje hangt over zijn arm. Een zacht briesje waait door het haar wat inmiddels grijs begint te worden. Van onder zijn pet loopt een dun straaltje zweet zijn nek in. De warmte heeft zijn huidskleur veranderd in een rode tint. Of is het de ondergaande zon die hem kleurt met haar stralen van okergeel en warm oranje tinten.

Achter hem staat een opvallend gebouw. Een hoge toren, spits toelopend, geschilderd in rood-witte banen, met daaraan vastgebouwd een kleine woning. In de wijde omtrek valt het op. Het is het enige gebouw in een straal van enkele kilometers. Men kan er alleen per boot komen. Wie goed kijkt, ziet dan ook een klein vissersbootje in de baai onder aan de rotsklif liggen. Vandaar loopt een uitgehouwen trap rond de rotsklif naar boven.. Vandaar loopt een uitgehouwen trap rond het klif naar boven. En daar, op een klein grasveldje, staan de vuurtoren en zijn wachter. Samen als enig teken van menselijk leven in de wijde omtrek.

Laten wij eens naast de vuurtorenwachter gaan staan en rondkijken. Voor ons is niets anders te zien dan water. Rustig en kalm water. Achter ons ligt in de verte het vaste land. Wie over de rand van de klif naar beneden kijkt, ziet het vissersbootje zacht deinen op het ritme van de golven. Wie naar de top van de vuurtoren kijkt, ziet een tweetal meeuwen op de rand van de balustrade zitten en nieuwsgierig terugkijken.

Niets lijkt op deze warme zomeravond de vrede te zullen verstoren.

Toch... wie zijn blik op de vuurtorenwachter richt, ziet een frons op zijn voorhoofd. Steeds meer zweetdruppeltjes ontsnappen onder zijn pet vandaan. Zijn ogen turen de horizon af. Een tijdje staan wij naast hem en kijken eveneens naar de horizon. De temperatuur verandert en de luchtvochtigheid stijgt. Ook van ons voorhoofd drupt het zweet. Dan zien wij in de verte, net voordat de zon onder de horizon zakt, een wolk ontstaan. Een grote donkere wolk. Eerst nog klein, maar al snel wordt zij groter en bedekt zij de hele horizon. De eerst nog rustige zee verandert in een onstuimige, kolkende massa waarin witte schuimkoppen ontstaan wanneer de golven tegen het klif beuken. De blik van de vuurtorenwachter is bedenkelijk. Wie naar de lucht kijkt, ziet dat de wolk als een deken op ons af begint te rollen. Met verbazing slaan wij het natuurgeweld gade terwijl de duisternis invalt en ons omringt.

De aanwakkerende wind haalt ons terug uit onze gedachten. De vuurtorenwachter naast ons loopt haastig naar de deur en verdwijnt naar binnen. Het geluid van de touwen die tegen de masten van het bootje beneden slaan, doorbreekt het huilen van de wind om de vuurtoren.

Ook wij lopen naar binnen en beklimmen in de warmte de trappen van de toren. Boven is de vuurtorenwachter. Hij loopt druk rond. De lenzen en spiegels die zich rond de lamp bevinden, worden voor de laatste keer snel opgepoetst. Dan ontsteekt de vuurtorenwachter de lamp en zet het mechanisme zich in beweging. Wij stappen naar buiten en zien dat de rollende wolk ons bijna bereikt heeft. De vuurtorenwachter trekt zijn jas aan en komt naast ons staan. De stevige wind dwingt ons de reling van het balkonnetje vast te houden.

Daar staan wij, totdat de eerste regendruppels de bewolking boven ons verlaten en ons doorweken. Snel dalen wij de trappen af en betreden de woning, terwijl de lichtbundel zijn rondes om de toren draait.

Daar, in de stilte van de woning, kijken wij de vuurtorenwachter eens aan. Voor het eerst treffen onze blikken elkaar. Een tijdlang luisteren wij slechts naar het slaan van de regen tegen de ramen. Dan verbreekt de vuurtorenwachter de stilte.

„Weet je waarom ik vuurtorenwachter ben geworden?” klinkt het.
Wij schudden van nee.
„Nee, geen idee. Het lijkt een eenzaam bestaan, hier in je eentje op het klif.”

„Ach, ik ben niet alleen,” klinkt het schuchter. „Hier ben ik in het midden van de natuur. Hier zorg ik ervoor dat iedere avond en bij elke storm het vuur in de toren brandt. Daardoor bescherm ik hen die zich in boten op zee bevinden. Als het licht niet zou branden, zouden de schepen hier op de rotsen te pletter slaan. Dan zou de bemanning door de zee verzwolgen worden.

Ik heb dit werk uit Zijn hand ontvangen.

Ik zei het al eerder: ik ben niet alleen. Want ik ben hier te midden van Zijn natuur. Dagelijks zie ik Zijn werken. Hij, de God Die hemel en aarde geschapen heeft. Ik mag Hem hier dienen.”

De vuurtorenwachter staat op en loopt naar de kast. Niet veel later komt hij terug met een psalmboekje in de hand.

„Weet je,” vervolgt hij zijn verhaal, „ik moet vaak denken aan de woorden die ik als kind al leerde. Ik hoop dat het licht in mijn vuurtoren mag zijn als het licht waar Psalm 27 over spreekt, want dan zal mijn werk en arbeid niet ledig terugkeren. Voor jou, voor ieder die het ziet en voor mij. Zul je daaraan denken wanneer je de lichtbundel van deze of een andere vuurtoren zult zien?”

God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen?
Hij is de HEER, die hulp verschaft in nood

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.