“In gedachten gaan wij naar Nahor, een stad in Mesopotamië, het gebied tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris, in de omgeving van het huidige Irak en Syrië. Daar is een waterput. Het is tegen de avond. Het moment dat de vrouwen water gaan putten. Zo ook vandaag.
Ook Rebekka gaat met een kruik op haar schouder richting de put. Ook deze jonge vrouw zal water gaan putten. Als ze op de put afloopt, ziet ze daar vreemdelingen die ze niet herkent. Tien kamelen liggen naast de put te wachten. Ze ziet dat reizigers en kamelen moe zijn. Ze zullen vast een lange reis achter de rug hebben.
Dan staat één van de vreemdelingen op en loopt op haar af: “Mag ik wat te drinken?” vraagt hij aan haar. Snel schenkt ze het opgeschepte water voor hem in. “Ik zal ook water putten voor uw kamelen!” zegt ze.
Wanneer ze daarmee klaar is, loopt de vreemdeling op haar af en geeft haar een gouden voorhoofdsiersel en gouden ringen. “Wie bent u?” “Ik ben Rebekka, een dochter van Béthuël. Wie bent u?”
“Ik ben Eliëzer. Een knecht van de broer van uw grootvader Nahor, Abraham. Hij heeft mij tot hier gezonden. Ik zal u vertellen waarom.
Abraham is inmiddels oud geworden. 140 jaar oud. Vroeger werden mensen ouder dan nu. Sara is al 3 jaar overleden. Izak is inmiddels een volwassen man van 40 jaar geworden. Als Abraham naar hem kijkt, maakt hij zich weleens zorgen. Izak is verdrietig, dat ziet Abraham wel. Izak hield veel van zijn moeder. En nu moest hij zonder haar door het leven.
Troost kende Izak wel. Hij kende de God van zijn vader Abraham. Hij wist dat zijn moeder nu juichte voor Gods rechtertroon. Dan was Izak misschien weleens jaloers op zijn moeder. Maar hij miste haar zo ontzettend.
Misschien heb jij ook wel iemand verloren. Dan weet je dat dat pijn kan doen. Dan mis je die persoon. Dat had Izak ook.
Abraham zag dat. En hij weet: er is nog een reden dat Izak verdrietig is. Hij is al 40 jaar geworden en heeft nog geen vrouw aan zijn zijde.
Dan denkt Abraham weleens terug aan zijn eigen leven. Toen hij daar bij de tenten stond en omhoog moest kijken. Hij herinnert zich de woorden van God: “Kijk eens naar de sterren. Ze zijn ontelbaar. Zo groot zal Ik uw volk maken.”
Hij denkt terug aan hoe Izak, heel onverwacht, nog werd geboren en dat de Heere gezegd had dat uit hem een groot volk geboren zou worden. Maar hoe moet dat als Izak geen vrouw heeft? Dan kunnen er ook geen kinderen geboren worden.
Dan krijgt Abraham een idee en roept Eliëzer, zijn knecht, bij zich. “Eliëzer, ik wil dat je een vrouw gaat zoeken voor Izak. Maar ik wil niet dat hij trouwt met een vrouw uit het land waar wij nu wonen, Kanaän. Daar wonen heidense vrouwen. Ik wil dat je gaat reizen naar het land waar ik vandaan kom: Mesopotamië. Daar moet ze vandaan komen.”
Eliëzer sputtert eerst tegen: “Maar wat als ze niet mee wil? Moet ik dan Izak daarnaartoe brengen?” “Nee, dat niet. Izak moet in dit land blijven wonen. Kanaän is het land van de belofte. Het land waar de Heere wil dat wij wonen. Maar vreest niet: de Heere zal Zijn engel voor uw aangezicht zenden. De Heere Zelf gaat u helpen de juiste vrouw te vinden.”
En zo ben ik op reis gegaan. Ik heb tien kamelen en knechten meegenomen. Toen ik hier bij de put aankwam, heb ik gebeden: “HEERE, God van mijn heer Abraham, doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.” Toen heb ik ook aan de Heere gevraagd of Hij mij een teken wilde geven. Toen ik om water vroeg, heb ik niet om water voor de kamelen gevraagd. Ik vroeg of de Heere ervoor wilde zorgen dat een meisje zou aanbieden om ook de kamelen drinken te geven. En nu deed u dit. U bent degene die ik zoek.
Vervolgens bidt Eliëzer weer tot de Heere: “Geloofd zij de HEERE, de God van Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de HEERE heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broeder.”
Horen jullie dat? Eliëzer weet dat de Heere Zelf deze weg heeft geleid en Rebekka tot hem bracht.
Rebekka spoedt zich naar huis. Daar vertelt ze alles aan haar vader Bethuël en haar broer Laban. “Er staat een knecht van uw broer Abraham bij de put. Hij heeft mij verteld dat hij door Abraham hierheen gezonden is om een vrouw voor Izak te zoeken. Vader, kijk eens wat voor mooie sieraden hij mij gegeven heeft!”
Laban hoort het en spoedt zich naar de put, op zoek naar Eliëzer.
Als hij Eliëzer heeft gevonden, nodigt hij hem en de knechten uit om mee te gaan naar de woning van Bethuël.
Daar vertelt Eliëzer nog eens alles wat er gebeurd is. Hoe hij bij Abraham werd geroepen, hoe hij door de woestijn is getrokken, hoe hij Rebekka ontmoette en bovenal hoe de HEERE zijn gebeden verhoorde. “Mag ik Rebekka meenemen naar Kanaän?” Dat mag.
De volgende dag vertrekken ze weer door de woestijn. Een reis van enkele weken naar Kanaän, en in het bijzonder naar een plek dicht bij de waterput Lachaï-Roï. Deze naam betekent ‘de Levende Die mij ziet’. Het was de put waar eens Hagar met Ismaël was toen ze werden verstoten uit de tenten van Abraham.
Toen ze daar bijna waren, liep daar een man in het veld om te bidden. Rebekka ziet hem al lopen. “Wie is dat?” vraagt ze aan Eliëzer. “Dat is Izak, de man met wie u gaat trouwen!”
Zodra Rebekka dat hoort, doet ze een sluier voor haar gezicht en ‘valt’ van de kameel af. Eliëzer gaat ook naar Izak toe en vertelt alles wat er gebeurd is. Dan neemt Izak Rebekka met zich mee, trouwt met haar en gaat met haar in de tent van Sara wonen.”
Bovenstaande zou zomaar een Bijbelvertelling op een basisschool kunnen zijn. Wat een lessen liggen er verscholen in deze geschiedenis.
Want gehoorzaamheid aan God, een blind vertrouwen op Hem en het gebed zijn belangrijke elementen uit deze geschiedenis.
Een verdrietige Izak werd getroost. Hij vond de liefde bij Rebekka. Een huwelijk waarover uiteindelijk zo eenvoudig geschreven staat: “En Izak had haar lief.”
Zo mogen wij ook in 2026 leven. Een tijd waarin de liefde snel kan verkillen en huwelijken uit elkaar kunnen vallen. Toch is er één ding onveranderlijk gebleven: wanneer de Heere ons een huwelijk geeft, mogen wij onze man of vrouw zien als een gave uit Zijn hand. Hij brengt samen.
Wel moet ik bekennen: wie alleenstaand door het leven gaat, is soms weleens jaloers op Izak. Hij kreeg een vrouw als partner. Zou het de alleenstaande dan ook nog kunnen overkomen een partner te treffen? Izak mag ons leren om te vertrouwen op de Heere. Hij wist wat Izak nodig had en Hij zorgde op Zijn tijd voor hem.
Ook wanneer alleen door het leven gaan ons deel is, mogen wij weten dat de Heere ons niet vergeet. Wij mogen Hem gehoorzamen, ook wanneer wij Zijn weg niet begrijpen. Wij mogen op Hem vertrouwen, ook wanneer wij niet weten hoe onze toekomst eruitziet. En wij mogen in het gebed tot Hem gaan en Hem smeken om hulp en steun in ons leven.
Dat de Heere u en mij hierin genadig mag zijn!”
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties