Een bijzondere week ligt achter ons. Op persoonlijk vlak, maar zeker ook op muzikaal vlak. Het eerste album van het mannenensemble Emotion is verschenen, een ensemble waaraan ik nauw verbonden ben. Aan de release is verder geen ruchtbaarheid gegeven, maar voor alle betrokkenen, die er zo lang aan hebben gewerkt, is het toch een bijzonder moment.
Bij de uitvoeringen van ensembles staan de programmaboekjes doorgaans vol met begeleidende teksten. Bij dit album ontbreken die. De digitale uitgave bevat geen toelichting. De muziek zal voor zichzelf moeten spreken. Vlekkeloos is deze niet, maar is dat belangrijk? Gaat het uiteindelijk niet om de inhoud?
Als ik die inhoud zou bespreken, zou dit artikel veel te kort zijn. Bovendien zou ik terechtkomen in diepten die ik niet begrijp en op hoogten die ik niet in woorden kan vatten. Het album valt in de categorie reformatorische muziek. Op één uitzondering na klinken er uitsluitend psalmen. Het is geen album dat is uitgebracht om onszelf op de borst te kloppen en te kunnen zeggen: ‘Hoor ons eens!’ Nee, het is een album dat biddend is uitgebracht, in de hoop dat het tot zegen mag zijn voor ieder die ernaar luistert.
Over de titel is lang nagedacht. Die moest aansluiten bij de eerdergenoemde doelstelling. Traditiegetrouw hebben we de inspiratie daarvoor gevonden in een van de liedteksten. Zo verscheen eerder deze week het album In Vindenstijd.
(…) in vindenstijd, met ootmoed smekend, komen (…) – Psalm 32:3, berijming 1773
Welkom in de vindenstijd! U en ik bevinden ons daarin: de tijd tussen onze wieg en ons graf. Een tijd waarin wij gevonden moeten worden. Ieder van ons. Maar waarom? En door Wie?
Ach… voor de gevonden christen is die vraag waarschijnlijk niet moeilijk te beantwoorden. De tekst spreekt immers over de vromen, over ieder van hen. Zij zullen in vindenstijd komen, zo staat er geschreven.
In gedachten stel ik hun de vraag: ‘Waarom moest u gevonden worden?’
Zij slaan de ogen neer en moeten met schaamte bekennen: ‘Ik was de weg kwijt. Ik wilde niet gevonden worden. Met Adam en Eva verstopte ik mij tussen de bladeren van de struiken. Mijn wandel was op de brede weg. De enge poort zag ik niet; op de smalle weg wilde ik niet wandelen.’
‘Maar wie vond u dan?’ klinkt mijn volgende vraag.
Stamelend klinkt het antwoord: ‘Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, toen werd in mijn ziele de vreze gewekt. Toen zag ik die enge poort, waardoor ik moest gaan. Mijn wandel werd op het smalle pad, dat tot het eeuwige leven leidt. Toen mocht ik gaan ervaren dat mijn gang en treden in Gods Woord vast zijn. Hij behoedt mijn voet voor het wankelen.’
‘Maar waarom moest u dan juist gevonden worden?’
Dan branden de tranen in de ogen van de vromen.
‘Ik weet het niet. En geloof mij: ik verdiende het ook niet!’ klinkt het. ‘Maar ik werd door licht en waarheid geleid tot de bergen van Zijn heiligheid, waarheen ik nu mijn ogen mag opslaan. Mijn Redder is mijn God!’
Vervolgens klinkt de vermaning: ‘Hij moet ook de uwe worden. Beseft u dat? Ook u moet gevonden worden. Hij vergeeft al onze ongerechtigheden en kan u kronen met goedertierenheid. Wacht niet langer! Aanbid Zijn heiligheid, buig u voor Hem neer en loof den HEERE!’
Wie door Hem gevonden wordt, zal met ootmoed smekend komen: stamelend, schoorvoetend, bescheiden, deemoedig en in diepe nederigheid.
Dat dit ook ons aller bede mag zijn:
Zie mijn ellend’, o HEER’, en help Uw knecht,
twist Gij zelf mijn twistzaak naar Uw recht.
Verlos mij, sterk met nieuwe moed mijn leven,
in deze vindenstijd, tot mijn behoud gegeven.
Johannes R
Reactie plaatsen
Reacties