De donkergroene bank

Gepubliceerd op 25 september 2026 om 17:00

Dit artikel is onderdeel van de reekst 'Ouderwetse degelijkheid'

 

“Daar sta ik dan. Al jaren in deze kamer. Ik ben een vaste waarde geworden en behoor tot het meubilair, zoals men dat tegenwoordig zou noemen. Ik ben de donkergroene bank die al jaren in de zitkamer van dit huis staat.

Ik ben gemaakt rond 1925. Vakkundige handen hebben het hout gebogen en het frame in elkaar getimmerd. Lange nagels werden gebruikt om de balken stevig aan elkaar te verankeren. Vervolgens maakte de meubelmaker de zitkussens. Daarin zitten dikke, stevige veren die de tand des tijds moesten kunnen doorstaan. Het schuimrubber was van een soort die niet zomaar inzakt. Daarover werd stevig, donkergroen fluweel gespannen. Ook de armleuningen werden ermee bekleed. Het fluweel werd afgewerkt met spijkers met glimmende gouden koppen. Op mijn kussens werden knopen bevestigd, overtrokken met dezelfde groene stof. Knap en hip was ik.

Toen ik werd gekocht door de overgrootmoeder van de huidige eigenaar, kwam ik hier terecht. Jarenlang stond ik in deze kamer. Alleen op zondag mocht men op mij zitten, in de zondagse kleding. Alleen op zondag ging de deur naar de zitkamer open. Of er moest belangrijke visite komen. Dan mocht ik ook pronken met mijn kussens en mochten de gasten op mij plaatsnemen.

Maar tijden veranderen. Het is 2018 geworden. De woning is zojuist overgegaan naar de vierde generatie en ik weet het… smaken veranderen. De nieuwe eigenaar zal deze kamer, waar ik zo lang heb gestaan, leeg gaan halen. Er zal verbouwd worden. Mijn uiterlijk past niet meer in deze tijd. En toegegeven… ik ben ook versleten. Mijn knoppen glimmen niet meer, mijn stof is hier en daar gescheurd. Mijn veren zijn versleten en mijn kussens beginnen in te zakken. Het wordt tijd dat ik plaatsmaak voor een nieuwe generatie.

Toch… hij moest eens weten wat ik allemaal heb gezien.

Want in deze kamer ligt een grote geschiedenis. Ik heb twee generaties zwangere moeders op mij laten uitpuffen tijdens hun zwangerschappen. Ik stond hier toen de kindjes werden geboren en hoorde als een van de eersten het geschrei van de kleintjes in de slaapkamer boven. Ik heb ouders horen zeggen: ‘Het is een meisje!’ De baby’tjes werden soms op mij neergelegd. Dan lagen ze te kraaien, terwijl hun ouders met hen speelden.

Ik heb kleintjes groot zien worden. Ik heb ze op mij laten klimmen, om vervolgens weg te kruipen tegen hun moeders wanneer ze de visite maar wat spannend vonden. Ik heb ze met een feesthoedje op ondersteund terwijl ze hun cadeautjes uitpakten. Ik heb ze groot zien worden en zien veranderen in volwassenen. Ja, ik heb ze grijs zien worden en oud zien worden.

Ik heb hen ondersteund in dagen van vreugde. Ik heb hen op mij laten liggen terwijl ziekte hun lichaam verzwakte. Ik heb hen gedragen toen de ouderdom intrad. Ik stond hier ook toen de mare klonk: ‘Hij is niet meer.’ Tranen zijn op mijn kussen gedrupt toen afscheid werd genomen van geliefden die niet meer zijn.

En wat een gesprekken heb ik gehoord. Bitse woorden in tijden van ruzie, liefkozende woorden in tijden van liefde. Ik heb gesprekken gehoord over het weer, over het werk, over het gezin en over de kerk. Ik heb ze allemaal stil beluisterd. Nooit heb ik mij in de gesprekken gemengd. En ik zal ze nooit herhalen.

De laatste jaren is mijn plaats naast het orgel geweest. Dat blies regelmatig het stof onder mij vandaan. Dan dreunde ik op mijn grondvesten, maar dat zijn tijden waaraan ik met vreugde terugdenk. Want dan klonken lofzangen door de kamer. Over het Nederland waarin ik gemaakt ben, waarin mijn plaats was. Dan klonken dankliederen en psalmen door de kamer. Kinderstemmen en volwassen stemmen vulden elkaar aan en zongen over de grote Schepper van alle dingen.

En nu is de tijd gekomen voor mijn afscheid. Ik pas niet meer in deze tijd. Bij mijn aanblik dwalen de gedachten terug naar het verleden, terwijl ze op de toekomst gericht moeten zijn. Ik neem dan ook afscheid van iedereen die mij kende. Van de generaties die voor hem kwamen.

Ik zal alleen op een paar schamele foto’s voortleven, waarop ik nauwelijks zal opvallen, omdat ik uiteindelijk maar een bank ben.

Een donkergroene bank.”

Het had de reden kunnen zijn van de bank die ik zo goed kende. Want die eigenaar ben ik.

Ik wilde de bank zo snel mogelijk wegdoen. Na negentig jaar was het tijd voor iets nieuws. Geen moment heb ik daar moeite mee gehad.

Maar nu, tien jaar na haar vertrek, komen de gedachten aan die donkergroene bank terug. Want met het vertrek van die bank heb ik een deel van mijn geschiedenis uit het huis verwijderd. Een deel dat nooit meer terug zal keren.

Johannes R

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.