In de regen

Gepubliceerd op 6 november 2026 om 17:00

De eerste herfststorm ligt achter ons. Moedig boden de bomen weerstand aan de rukwinden. Ze staan nog altijd fier overeind. Maar nu de temperaturen onder de tien graden zakken en een gure, koude wind is opgestoken, laten ze massaal hun herfsttooi vallen. De bodem wordt bedekt met een knisperende bladerendeken.
De bomen staan onverdroten overeind, voor een deel reeds gehuld in hun wintertooi. Zo weerstaan ze de rondtrekkende winden, de overtrekkende stormen en de neerslaande regen.

Zeker in het Holland van vroeger was dit goed te zien. Wie door de uitgestrekte polders liep, zag het landschap veranderen. De akkers werden omgeploegd en het werk op het land kwam langzaam tot rust. De koeien werden naar de stallen gedreven, waar ze enige beschutting vonden tegen de naderende winterkou.
In het dorp stonden de plassen tussen de kinderkopjes. Alom rook men de geur van brandend hout uit de kachels.

In gedachten gaan wij naar zo'n Hollands dorpje. Zo'n dorpje waar de kerk midden op een klein pleintje staat, omringd door een kring leibomen. De hoefsmid en de slager hebben er hun werkplaats en winkel.
Het loopt tegen het einde van de dag. Het begint al te schemeren. Het is een grijze herfstdag, zoals er in deze tijd van het jaar wel meer zijn. Door de neerslaande regen zijn er nauwelijks mensen op straat.
Toch horen wij het getik van een viertal klompjes op de keien. Verscholen onder een veel te grote paraplu zien wij daar, diep in hun jassen gedoken, twee kleine kinderen naar huis lopen.
Het is niet ver meer.

Onder moeders paraplu
Liepen eens twee kindjes,
Hanneke en Janneke
Dat waren dikke vrindjes.

Het zijn een jongen, Janneke, en een meisje, Hanneke. Een viertal knuistjes klemt zich stevig om de stok van de paraplu. Ze doen hun uiterste best om hem goed vast te houden. Zo lopen ze voort, op weg naar huis.

Beiden zijn dikke vriendjes, en meer dan dat. Ze zijn broer en zus. Ze spelen vaak samen.

Zojuist waren ze bij oma op visite geweest. Daar hadden ze een spelletje ganzenbord gespeeld. Janneke was best een beetje trots. Hij had gewonnen! Hanneke had minder geluk gehad. Zij was in de put beland.
Toch was Hanneke niet verdrietig, want na het spelletje had oma een warme kop chocolademelk ingeschonken en hadden ze er allebei een Jan Hagel bij gekregen.

Toen was het tijd geworden om naar huis te gaan.
En nu liepen ze daar. Moeder had haar paraplu meegegeven, zodat ze droog naar huis konden lopen.

En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik, tak, tik,
Op moeders paraplu, op moeders paraplu

En zo liepen ze daar. Het klik-klakken van de houten klompen op de keitjes was overal te horen. De stenen waren glad geworden door de regen. Om de beurt gleden de kinderen een stukje uit. Dan schaterden Hanneke en Janneke het uit. Vervolgens pakten ze elkaar weer stevig vast om hun weg naar huis te vervolgen.
Ondertussen tikte de regen op de paraplu. Langs de randen stroomden kleine watervalletjes naar beneden. Maar de kinderen zelf bleven droog.
Moeder zorgde voor hen, zelfs nu ze er niet bij was.
Bij moeder voelden ze zich altijd geborgen. Bij haar vonden ze warmte en liefde. En ook nu bleek haar zorg. Doordat moeder hun de paraplu had meegegeven, konden ze droog en warm naar huis lopen.

Toen kwam Jan-de-Wind er bij,
Die joeg eerst heel zoetjes,
Toen al hard en harder maar,
De regen in hun snoetjes.

Het lieflijke tafereeltje wordt opeens verstoord. Een derde persoon voegt zich bij het tweetal. Hij heet Jan-de-Wind.
Nee, wij moeten niet denken dat dit een echt persoon is. Het is de wind die door de straten van het dorp waait.
Eerst was het nog maar een zacht briesje. Zo'n briesje dat bij Hanneke en Janneke blosjes op de wangen had getoverd en hun neusjes rood had gekleurd.
Maar Jan-de-Wind begon in kracht toe te nemen.

Steeds harder blies hij door de straten. De regen sloeg onder de paraplu door, recht in de gezichtjes van Hanneke en Janneke. Met half dichtgeknepen ogen liepen ze voort.
Wat wilden ze nu graag naar huis! Daar konden ze straks bij de warme kachel, onder een wollen deken, opwarmen bij de houtkachel, terwijl moeder het eten klaarmaakte.

En Jan-de-Wind, die rukt’ en trok
en op en neder ging de stok
van moeders paraplu, van moeders paraplu

Steeds harder loeide de wind om de kerktoren heen. Steeds heviger rukte hij aan de paraplu.

Hanneke en Janneke klemden hun handjes nog steviger om de stok. Af en toe leek het wel alsof de wind hen van de grond wilde tillen. Het doek van de paraplu begon vervaarlijk te klapperen.
Het ene moment werden de kinderen een stukje vooruitgeblazen, het volgende moment moesten ze alle zeilen bijzetten om niet achteruit te worden geduwd.

Vechtend tegen de storm liepen ze verder.

Maar Hanneke en Janneke
Dat waren flinke klantjes
Die hielden stijf de paraplu
in allebei hun handjes

‘Hanneke, kom op! De wind gaat ons niet klein krijgen!’ klinkt het stoer boven het geraas van de storm uit.
Hanneke kijkt eens naar Janneke. Eigenlijk vindt ze het best een beetje spannend. Maar Janneke lijkt nergens bang voor te zijn. Met een verbeten gezicht houdt hij de paraplu stevig vast. Moedig stapt hij verder.

Als Janneke merkt dat Hanneke naar hem kijkt, glimlacht hij.
‘Niet bang zijn, hoor, Hanneke! Wij kunnen die wind wel aan! Kom op, wij gaan naar huis!’

Dan verschijnt er ook op Hannekes gezicht een glimlach.
‘Kom maar op, jij, Jan-de-Wind! Ons krijg je niet klein!’

En ze lachten blij van: hi-ha-hi
En ze riepen: Jan, je krijgt hem nie’
|‘t Is moeders paraplu, 't is moeders paraplu

‘En probeer maar niet om de paraplu van ons af te nemen! Jij mag hem niet over het kerkplein blazen. En je mag hem ook niet optillen en tussen de takken van een boom hangen, zodat wij er niet meer bij kunnen!’
Want het was moeders paraplu.
Moeder had hem aan hen meegegeven. Zij hield van hen en zij hielden van haar. Daarom zouden ze goed op haar paraplu passen. Die moest heelhuids thuiskomen!
En thuis, daar zou moeder op hen wachten.

Daar gaat het tweetal. Stevig stappen ze verder door de natte straten van het dorp.

Wij blijven nog even op het pleintje staan en kijken hen na.
Hanneke en Janneke. Twee dikke vriendjes. Een broer en een zus, samen onder moeders paraplu.

Wat zou er van hen geworden zijn?
Zou de paraplu heelhuids thuisgekomen zijn? Zouden ze misschien toch nog verkouden zijn geworden door de regen?
Zou Hanneke later, toen ze zelf moeder was geworden, haar kinderen ook een paraplu hebben meegegeven wanneer ze op een gure herfstdag bij oma op bezoek gingen?
Of zou Janneke later in zijn eigen gezin tegen zijn vrouw hebben gezegd: ‘Ik breng de kinderen wel even naar je moeder. Je weet nooit wat er onderweg gebeurt...’

En zouden broer en zus elkaar, jaren later, nog eens hebben opgebeld op een gure herfstdag? Ieder vanuit zijn eigen huis, kijkend naar de kinderen die inmiddels om hen heen speelden?
Zouden ze dan samen hebben gesproken over die vervlogen tijden? Over oma, het ganzenbord en de warme chocolademelk? Over de natte kinderkopjes, de klompjes die klik-klakten en de regen die tikte op de paraplu?

En zouden ze zich dan nog herinneren hoe Jan-de-Wind eens geprobeerd had om hun moeders paraplu af te nemen?

Johannes R


Lezen over andere kinderliedjes?

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.